Creëer nog meer onderwijsproblemen

Leraren moeten hun lesuren gaan bijhouden. Dat adviseert de Onderwijsraad het kabinet.

De Raad moet wegens deze wanprestatie opstappen.

De Onderwijsraad adviseerde vorige week aan het kabinet dat leraren hun uren moeten gaan bijhouden, om het onderwijs efficiënter te maken. Dat lijkt mij geen handig advies: de meeste leraren die ik ken, maken stelselmatig meer klokuren dan waarvoor zij worden beloond. Een reële meting van de gewerkte tijd per leraar zou de staat dus weleens een heleboel geld extra kunnen gaan kosten.

Bovendien brengt juist een leraar een groot deel van zijn uren voor iedereen volkomen transparant voor de klas door. Wat hij ervoor moet doen om die uren ook daadwerkelijk in zijn klaslokaal door te brengen, is daarmee ook binnen redelijke marges gegarandeerd. Anders wordt hij namelijk door zijn leerlingen naar buiten gedragen, of prijken er bij de rapportvergadering erg lelijke cijfers op de leerlingenlijsten. Daar worden leraren heus ook nu al op aangesproken, door collega’s, schoolleiding, ouders en leerlingen.

Uren schrijven voor uren waarvan iedereen kan zien dat ze gemaakt worden, is een overbodige activiteit die alleen maar geld kost. Je hoeft geen econoom te zijn om dat te kunnen bedenken.

Het tweede punt van het advies van de Onderwijsraad betreft een bonus: een variabele beloning al naar gelang een leraar in de ogen van leerlingen, ouders, schoolleiding en collega’s beter of minder goed presteert.

Hoe wil de Onderwijsraad dit nobele voornemen eigenlijk in de praktijk brengen? Verwacht hij in zijn wereldvreemdheid een eensluidend oordeel van al die verschillende groepen met verschillende belangen waar de leraar in zijn werk mee te maken heeft? En verwacht de Raad nu echt dat zo’n beoordeling op inhoudelijke gronden gemaakt zal worden?

Wil je een dergelijk beoordelingssysteem invoeren zonder het te laten verzanden in tomeloze willekeur en koeioneringspraktijken, dan zul je een ‘profiel’ moeten maken van de ideale leraar. Het punt is dat je dan weer leraren krijgt die naadloos aan het profiel voldoen en dus recht hebben op meer salaris, maar niet noodzakelijkerwijze ook degenen zijn die iets van hun werk terechtbrengen. Ook dat lijkt mij geen verbetering van de efficiëntie.

Ten slotte wil de Onderwijsraad de klassen vergroten en meerdere leraren op één klas zetten. De vraag die rijst, is: worden die leraren dan minder betaald? Wat heeft het anders voor zin om in plaats van twee klassen van dertig leerlingen met twee leraren nu één groep van zestig leerlingen te maken met diezelfde twee – naarstig hun uren schrijvende – leraren?

Hebben de mensen van de Onderwijsraad zelf weleens een klaslokaal betreden? Was de eensluidende conclusie niet juist dat schaalvergroting van klassen én scholen de efficiëntie van het onderwijs doorgaans beslist níét bevordert? Ik zie in dit scenario alleen maar extra kosten opdoemen: minder presterende leerlingen, verbouwingen van schoollokalen die later teruggedraaid moeten worden en veel ziekte-uitval van leraren die aan een onwerkbare lessituatie bezwijken. Om nog maar te zwijgen over de gevolgen voor het lerarentekort.

Als wij de maatstaven voor behoorlijk functioneren zoals de Onderwijsraad die aan leraren wil opleggen op zijn eigen functioneren toepassen, zou hij wegens een dergelijk advies naar goed antiek gebruik met verbeurdverklaring van goederen het land uitgezet moeten worden.

Vooralsnog zou ik er in deze moderne tijd genoegen mee nemen als de Raad wegens wanprestatie werd ontslagen.

Marijke Breeuwsma is lerares klassieke talen.