Blunderen? Dat deed hij juist niet

Volksvertegenwoordigers moeten kunnen praten over gesprekken met de koningin.

Laat koningin Beatrix zelf de voorwaarden veranderen.

Het aftreden van het Kamerlid Arend Jan Boekestijn (VVD), woensdagavond, is een betreurenswaardige zaak. Kennelijk is er onaanvaardbare en onbillijke druk op hem uitgeoefend. Boekestijn deed gewoon zijn plicht als volksvertegenwoordiger, ook al kwam dat misschien vooral uit zijn bekende naïveteit voort. Zijn wellicht afgedwongen spijt was nergens voor nodig.

Voor de camera’s van enkele nieuwsrubrieken gaf Boekestijn zijn algemene, enthousiaste indrukken weer van een collectief bezoek aan het staatshoofd. Hij vertelde dat het een geanimeerde bijeenkomst was geweest, dat de koningin zich betrokken toonde en zich als alle fatsoenlijke mensen zorgen maakte over bepaalde ontwikkelingen. Nergens klapte hij concreet uit de school. Duidelijk werd dat koningin Beatrix het op een aantal hoofdlijnen eens was met de andere leden van de regering en met name de minister-president. Dat mag men van het staatshoofd verwachten. Boekestijn deed geen gedetailleerde uitspraken en hij onthulde niets.

Dat zijn optreden hem toch onmiddellijk kwalijk werd genomen, is zorgwekkend. Allereerst voor de staat van de parlementaire journalistiek. Waarom werden Boekestijns volstrekt normale uitingen direct door verslaggevers als een ‘blunder’ gekenschetst? Wat voor objectieve of staatsrechtelijke gronden hadden ze daar eigenlijk voor? Volksvertegenwoordigers zijn niet gebonden aan staatsrechtelijke restricties wat betreft uitlatingen over gesprekken met het staatshoofd. Er bestaan alleen richtlijnen van de RVD – eenzijdig door de voorlichters gedecreteerd.

Vervolgens zegt het ook verontrustend veel over de andere 49 Tweede Kamerleden die deel hadden genomen aan de bijeenkomst met de koningin. Zij hebben zich kennelijk aan ernstige plichtsverzaking schuldig gemaakt. Als zij van mening zijn dat men volstrekt niets over zo’n treffen mag zeggen en zelfs de contouren niet mag schetsen, hadden ze niet horen te gaan. Door de richtlijnen van de RVD te accepteren, hebben zij zich onderworpen aan voorwaarden die een volksvertegenwoordiger onwaardig zijn. In die zin hadden de Kamerleden van de SP gelijk dat ze op praktische – en nadrukkelijk niet algemeen principiële – gronden de uitnodiging afgeslagen hebben.

De regering hoort volstrekt open van gedachten te wisselen met de volksvertegenwoordiging en dat geldt ook voor het regeringslid dat staatshoofd is. Het is werkelijk ongehoord dat alle Kamerleden de persoonlijke opvattingen van de koningin kennen en die met elkaar delen, maar die voor hun kiezers geheim moeten houden. Als het staatshoofd persoonlijk met mensen in kleine kring spreekt, gelden dezelfde regels van vertrouwelijkheid die tussen alle mensen van toepassing zijn. Maar als ze op grotere bijeenkomsten iets zegt, zou dat principieel nooit geheim mogen zijn. Kamerleden die de twee nog resterende bijeenkomsten onder de kennelijk vigerende voorwaarden bijwonen, maken zich ongeloofwaardig. Ze horen thuis te blijven. Het is sowieso gênant dat vijftig volksvertegenwoordigers zich als een schoolklasje in een autobus laten proppen.

Het gaat hier om een schadelijke opvatting van de koninklijke onschendbaarheid en de ministeriële verantwoordelijkheid. Van het staatshoofd mag men verwachten dat ze in haar uitingen het beleid van de regering volgt en geen omstreden dingen zegt. Maar binnen die grenzen moet ze gewoon haar eigen mening kunnen geven, zoals andere leden van de regering, de ministers, dat met inachtneming van de eenheid van beleid ook regelmatig doen.

Juist door de koningin in een cocon te plaatsen en zelfs de meest gewone uitingen al met een sfeer van geheimzinnigheid te omgeven, manoeuvreert men het staatshoofd in een kwetsbare positie. Met onschendbaarheid heeft dat niets meer te maken; men bewerkstelligt juist het tegendeel.

Door het openbare spreken van de koningin ook werkelijk deel te maken van de publieke sfeer, voorkomt men incidenten als die van woensdagavond juist. In een normaal politiek bestel zou niemand op horen te kijken van de onschuldige uitingen van Arend Jan Boekestijn. En het staatshoofd zou niet in zo’n onmogelijke positie geplaatst mogen worden.

Eigenlijk zou men trouwens van koningin Beatrix mogen verwachten dat ze zelf de voorwaarden verandert. Het zou haar sieren als ze bij de volgende bijeenkomsten nadrukkelijk zou aangeven dat de deelnemers daar wel verslag van mogen doen – of dat zelfs nadrukkelijk vraagt. Dan zijn immers alle problemen de wereld uit. Arend Jan Boekestijn deed woensdagavond zijn plicht. Nu de rest van de politici nog.

Jan Dirk Snel is journalist en historicus.