Autonome kunst bestaat niet

Ook in democratische landen zijn kunstenaars onderhorig aan het politieke systeem. Dit betoogt beeldend kunstenaar Jonas Staal in een pamflet.

In Amsterdam bevindt zich een kunstgalerie die is gespecialiseerd in Sovjet-kunst. En dan niet de kunst die in Rusland gemaakt werd voordat onder Stalin in de jaren dertig socialistisch realisme definitief tot norm in alle kunstuitingen werd verheven en alle experimenten verboden. Wie daar niet loyaal aan meedeed, kon op deportatie of erger rekenen, en wie wel meedeed vaak ook. De galerie is ook niet gespecialiseerd in de kunst die sinds de jaren zeventig bekend stond als ‘bulldozer-kunst’, nadat een spontane tentoonstelling van non-figuratief werk in een park met zo’n voertuig met de grond gelijk was gemaakt. Evenmin gaat het om de vele persiflages van het socialistisch realisme die in Rusland en andere Oostbloklanden zijn geproduceerd sinds de Sovjet-Unie ineenstortte, en de voorschriften in de kunst uit beeld verdwenen.

Nee, in die galerie hangt de ‘officiële’ kunst zoals die sinds de jaren dertig tot aan het eind van de Sovjet-Unie in musea en kantoren hing. De peinzend voor zich uit starende Vladimir Iljitsj Lenins, de tractorbestuurders van de kolchoz die verdiept zijn in het lezen van een brief, kuise naakten tussen berkenbomen, hooiwagens met boerinnen die bezig zijn enthousiast op te laden terwille van de vervulling, nee oververvulling, van het lopende Vijfjarenplan – ze brengen in Amsterdam duizenden euro’s op.

Duidelijker kan de futiliteit van veel politiek werkzame of activistische kunst niet worden geïllustreerd. Uit naam van een heilig ideaal, het socialisme, is in een land dat in kunstzinnig opzicht niet primitief was, decennialang bijna uitsluitend goed bedoeld, constructief realisme geproduceerd. En nadat het politiek systeem dat die kunst oplegde de geest had gegeven, hangen de rijken in het kapitalistische Westen die kunst aan de muur of zien er een goede belegging in.

De ondergang van het Sovjetsocialisme heeft in de politiek lange tijd elke gedachte aan een radicaal politiek alternatief gesmoord: al wie ook maar vagelijk bij de socialistische idealen in de buurt was gekomen, haastte zich de ‘ideologische veren’ af te schudden en bekende zich tot de liberale, democratische markteconomie. Kunst ging daar vaak in mee: nooit meer instrument van propaganda, in dienst van de machthebbers. Vrijheid en autonomie troef.

Onzin, meent de Nederlandse kunstenaar Jonas Staal (1981) in zijn zojuist verschenen pamflet Post-Propaganda. Niks vrijheid en autonomie. Kunst is nog steeds onderhorig aan politiek en ideologie, al zijn het nu de ‘ongeschreven regels’ van wat Staal enigszins geringschattend het ‘democratisme’ noemt. Wat zijn dan wel de dictaten van heden? „Kunst en cultuur zetten je aan het denken, doen vanzelfsprekendheden wankelen, werken relativerend en zaaien verwarring. Ze zorgen voor creativiteit in onze kenniseconomie. (..) Kunst en cultuur vervullen een brugfunctie (bridging). In onze zeer diverse samenleving is het belangrijk dat mensen samenkomen en elkaar leren kennen. Kunst biedt hiervoor een platform. Samen van kunst en cultuur genieten kan ook een bron zijn van trots, een gevoel geven ergens bij te horen, een besef van identiteit (bonding).”

Dit citaat is niet van Staal, maar komt uit een beleidsnotitie van drie PvdA-Kamerleden, Kracht van Cultuur geheten. Dit staaltje verstikkend beleidsjargon laat zich moeiteloos uitbreiden met talloze soortgelijke uitspraken van politici die zich met cultuur bezighouden, en Staal doet dat ook. „Kunst kan verrassen, stimuleren en inspireren” (GroenLinks). „De betekenis van cultuur wordt het beste bevorderd als zij inhoudelijk vrij wordt gelaten” (VVD). „Ik geloof dat juist dergelijke definities tonen hoe nauw de beeldende kunst als propagandamiddel is verbonden aan het Nederlandse staatsbestel”, stelt Staal. „Want vormt de beeldende kunst niet juist het gewenste gezicht van de democratische ideologie – van het democratisme – wanneer zij zelfkritisch, bevragend, open tolerant, continu in ontwikkeling en vol interesse voor anderen is?”

In een politiek systeem dat soevereiniteit van de kunsten voorop stelt, is kunst helemaal niet vrij, maar systeembevestigend, betoogt Staal. En omdat dit nu eenmaal zo is, bepleit hij een verregaande samenwerking tussen kunst en politiek: „Het betekent dat de kunst zich naast en gelijk aan de politiek zetelt in het vormgeven van de systemen waarin en waardoor wij leven. De kunst draagt dan verantwoordelijkheid over de politiek, zoals de politiek dat over de kunst doet [door het verstrekken van subsidies, red.].”

Staals brochure werd vorige week gepresenteerd op een door het Fonds Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst georganiseerde debatavond in Amsterdam, waar ook de Amsterdamse cultuurwethouder Carolien Gehrels (PvdA) aanwezig was. Zij bepleit al enige tijd een meer inhoudelijke omgang tussen politiek en kunst, en het opgeven van het zogeheten Thorbecke-principe, waarbij de overheid zich principieel onthoudt van commentaar of oordeel over kunstuitingen. Kunst, of meer in het bijzonder kunstsubsidie, is gebaat bij een duidelijk aantoonbaar nut voor de samenleving: tolerantie, economische groei, technologische innovatie, de nationale exportpositie.

Het geeft eigenlijk niet welke de argumenten voor kunstsubsidie zijn, als ze er maar zijn. En uit de wereld van de kunstbobo’s, de fondsen en de musea enzovoort, zijn er eigenlijk hoe langer hoe minder tegenstemmen die de onafhankelijkheid en soevereiniteit van de kunst hoog houden. De reden: er dreigen bezuinigingen in de overheidsfinanciën en er is de opkomst van populistische bewegingen als de PPV, die met kunstsubsidie weinig op hebben.

Gehrels en Staal leken op dat avondje bondgenoten: de politica die de politieke afzijdigheid bij kunstsubsidie wil opheffen, en de kunstenaar die aanbiedt een eind te maken aan de pretentie van kunstzinnige autonomie. Die eensgezindheid lijkt echter van voorlopige aard. Verderop in zijn essay laat Staal weten dat zijn gevoel voor verantwoordelijkheid niet noodzakelijkerwijze loyaliteit aan de bestaande democratische normen inhoudt, maar een zeer vaag omschreven ‘andere politieke werkelijkheid’, voorbij het ‘democratisme’.

Toch nog een dubbele bodem bij de kunstenaar, en dat is maar goed ook. De geschiedenis van de Sovjet-kunst laat zien wat er gebeurt als de kunst zich noodgedwongen écht schikt naar de politiek en haar machtsmiddelen: decennia lang eenvormigheid.

Jacques Monasch Art Gallery, Keizersgracht 633 in Amsterdam. www.jmart.nlJonas Staal, Post-Propaganda, Uitgave Fonds BKVB, € 15,-.De ‘kunstenplansystematiek’ van Carolien Gehrels op www.dmo.amsterdam.nl/