Alles om de chaos te temmen

De romans van Edzard Mik worden steeds nadrukkelijker. Dat blijkt andermaal uit zijn nieuwe roman. Toch wordt ‘Goede tijden’ niet platgeslagen door het vakmanschap van Mik.

Edzard Mik: Goede tijden. De Bezige Bij, 237 blz. € 18,90

Wanneer een roman Goede tijden heet, hangt de personages stellig veel ellende boven het hoofd.

Dat geldt zeker voor Vink en Julia, de echtelieden uit de zevende roman van Edzard Mik (1960). Hun huiselijk bestaan wordt allereerst van onderop bedreigd door het wassende rivierwater dat met elk hoofdstuk van het in Maastricht spelende boek hoger stijgt, tot voorbij hun deurpost. De innerlijke rotting van hun kinderloze samenzijn is al veel eerder begonnen. Deze twee dertigers werken elkaar dagelijks op de zenuwen: hij, advocaat, met zijn cynische aardsheid, zij, danslerares, met haar ernstige zweverigheid.

Verlichting komt hooguit op verwarrende momenten: wanneer ze samen stuurs in een restaurant zitten en Julia zich erover beklaagt dat Vink haar geen gelegenheid heeft gegeven zich even om te kleden. Mik schrijft: ‘Misschien luchtte het haar op om hem een verwijt te maken, want haar gezicht ontspande, haar wangen werden zachter, haar ogen vingen de vlammetjes van de kaarsen, de lichtjes van de sfeerverlichting.’

Dat Vink en Julia steeds verder van elkaar wegdrijven wordt extra geaccentueerd door hun buitenechtelijke contacten: zij sluit zich aan bij een groep vrouwen die zich avond aan avond verzamelt rond een goeroeachtige figuur, Sjef geheten. Deze leidt een goeddeels vergeestelijkt bestaan in een flatwoning, waar veel wordt geaaid, gevlooid en gekoesterd. Niet helemaal duidelijk wordt waar de betrekkingen tussen Sjef en zijn vrouwen hun fysieke grenzen bereiken. Hoe dan ook, het maakt Vink jaloers en hij reageert aards: hij stort zich in de armen van ‘neukbeest’ Maria.

De verhoudingen worden ingewikkelder nadat Vink een moordzaak krijgt toegewezen waarbij ook Sjef betrokken is – en misschien zelfs Julia. Aan de esoterische idylle in Sjefs bovenwoning komt vervolgens met een doffe klap een einde. Met beeldende kracht schildert Mik – afwisselend vanuit Julia’s en Vinks perspectief – de studentikoze knuffeltaferelen in Sjefs woning. Even sterk beschrijft hij Vinks woede wanneer hij meent te ontdekken dat Julia zijn gehate vader in huis heeft gehaald: ‘hij had zich een weg tussen de muren geknaagd en zich in zijn huis genesteld en scharrelde daar met zijn broze botten en schaarse haar en koude handen rond, hij zette thee voor zichzelf en smeerde crackers met jam en likte de klodders van zijn lippen en vervuilde de lucht met zijn oudemannengeur’.

Niet alleen deze fraaie sterke beelden heeft Goede tijden gemeen met eerder werk van Mik: dat geldt ook voor thema’s als de hang naar vergeestelijking, fysiek verval, relationele ellende en de weerzin tegen een vader (zoals in de sprankelende novelle Yak uit 1996). Het surreële en mysterieuze waar Mik in eerder werk mee flirtte is in zijn nieuwe roman naar de achtergrond gedrongen, afgezien van een figuur die in het tweede deel van het boek, een halfdode die de levenden probeert te sturen als een Mulischiaanse engel.

Dat laatste is hier niet bedoeld als compliment. Het werk van Mik is in de loop der jaren helderder geworden: de verhalen worden steeds duidelijker, net als de oerbeelden die er aan de symboliek ten grondslag liggen, zoals dat ook in het werk van Mulisch in de loop der jaren gebeurde. In Miks Goede tijden is de tegenstelling tussen Vink en Julia de verhouding tussen het aardse en het hemelse. Het zijn de twee helften van de ziel uit de leer van Plato: uiteengereten, tegengesteld en tegelijkertijd door een enorme kracht tot elkaar gedreven. Zo is duidelijk waar de twee hoofdpersonen voor staan, wat ook geldt voor het kind dat hen naar de aarde lijkt te trekken. Die thematiek is netjes uitgewerkt, compleet met terloopse vooruitwijzingen en spiegeleffecten. Het geheel is zo keurig afgehecht dat het je op den duur gaat tegenstaan – en vervelen.

Dat Goede tijden niet wordt platgeslagen door het vakmanschap van de auteur, dankt de roman aan een andere, meer verhulde betekenislaag. De titel verwijst immers óók naar de langlopende televisiesoap ‘Goede tijden, slechte tijden’. Vandaar dat de verwikkelingen van de echtelieden en hun bijslapen in deze roman volgens de banale wetten van dat genre verlopen.

Ook heeft Mik het boek – zoals het hoort in een soap – volgegoten met expliciete mededelingen van Vink en Julia over de gedachten en veronderstellingen die aan hun handelen ten grondslag liggen. Dat versterkt de parodie, maar heeft nog een ander effect.

Het vestigt de aandacht op de manier hoe amechtig deze hoofdpersonen bezig zijn de hun omringende chaos te temmen. Ze proberen hun bestaan te herscheppen tot een verhaal dat niet ingewikkelder is dan een soap. De ruzies tussen Vink en Julia, de golven van aantrekkingskracht, overspel en de dood – steeds zoeken ze een schema waarmee ze het weer onder controle proberen te krijgen, een plot, een eenvoudig verhaal. Het verhaal van twee zielen die ondanks alles voor elkaar bestemd zijn – of juist niet. Zo slaat Goede tijden in laatste instantie op zichzelf terug, als roman over het menselijk verlangen naar overzichtelijkheid – zij het dat het boek zelf daar wat al te overzichtelijk van is geworden.