Ze zijn koppig en onbevreesd

Extremisten in Somalië vormen een steeds grotere bedreiging. Dat maakt de oude vraag weer actueel:

Wel of niet interveniëren?

Ingrijpen of afzijdig blijven? Somaliërs dagen de moderne wereldorde uit. Hun piraterij, hun geld-, wapen- en drugssmokkel en gijzelingen van hulpverleners vallen niet met de huidige middelen te bestrijden. Radicale moslimgroepen verbonden met Al-Qaeda winnen in Somalië aan invloed en werken als een magneet op islamitische jongeren in de Hoorn van Afrika, maar ook in het Westen. De situatie in en rond Somalië verslechtert snel en de noodzaak voor een effectieve respons groeit.

Met de opmars van de radicale strijdgroep Al-Shabaab is het strijdtoneel grondig gewijzigd. Voor het eerst speelt niet de hebzucht van clanleiders en krijgsheren de hoofdrol, maar is een ideologisch gedreven groep radicalen aan zet. Een medewerker van een VN-organisatie in de Keniaanse hoofdstad Nairobi denkt even na over de vraag of militaire interventie in Somalië nu wenselijk wordt. „Drie jaar geleden had ik je voor gek verklaard. Maar nu zouden we zo’n vraag misschien toch serieus moeten nemen.”

Al-Shabaab is uitgegroeid tot de sterkste opstandelingenbeweging in Somalië. De internationale agenda van de groep veroorzaakt paniek onder zowel Somaliërs als buitenlandse waarnemers. „De oorlog zal niet eindigen voordat de islamitische wetgeving op alle continenten ter wereld is ingevoerd en voordat moslims Jeruzalem hebben bevrijd”, waarschuwde de prominente Al-Shabaab-leider Abdi Godane onlangs.

In de Verenigde Staten, Australië en Nederland zijn dit jaar jongeren gearresteerd of vervolgd die terreurkampen in Somalië zouden hebben bezocht of onderweg daar naartoe zouden zijn geweest. Een bron binnen een geheime dienst in Oost-Afrika zegt daarom: „Ingrijpen is onvermijdelijk geworden. Of wachten we op een nieuwe terreuraanslag?”

De aanslagen door Al-Qaeda in 1998 en 2002 op Amerikaanse en Israëlische doelen in Kenia en Tanzania werden beraamd in Somalië.

Amerikaanse soldaten probeerden in 1992 met een inval de problemen van Somalië aan te pakken. Na hun aftocht twee jaar later probeerde Al-Qaeda zich stevig in Somalië te vestigen. In 2004 hield Washington een groep criminele krijgsheren op de been die het met Amerikaans geld opnamen tegen radicalen en terroristen. En in 2006 viel het Ethiopische leger Somalië binnen. Al deze interventies mislukten. Na elke inval groeide de afkeer van buitenlandse bemoeienis in Somalië verder en ontstond er meer ruimte voor extremistische moslimgroepen.

Amerikaanse militairen droegen in 1992 een handboekje met Somalische zeden en gewoontes bij zich. Onwetendheid van het Somalische clansysteem, de nomadische pit en het aan xenofobie grenzende nationalisme maken een interventie uiterst moeilijk. Somalië is een uitzonderlijk land op het continent. Somaliërs zijn dapper en onbevreesd, of zoals de tijdens de Tweede Wereldoorlog in Somalië gelegerde Britse soldaat en auteur Gerald Hanley scheef: „Ze verachten pijn en dood.” Somaliërs zijn ook intens individualistisch. Tot er een gemeenschappelijke vijand verschijnt.

Ook Al-Qaeda-strijders stuitten op de Somalische koppigheid. Uit recentelijk vrijgegeven Amerikaanse documenten blijkt dat de groep van Osama bin Laden er in de jaren negentig niet in slaagde zich in Somalië te vestigen, om dezelfde reden als de Amerikanen: ze kreeg geen vat op de politieke, economische en sociale dynamiek. Al-Qaeda-leden werden belazerd en uitgebuit, konden niet uit de voeten met de clanachtige politiek en ergerden zich aan het gebrek aan passie onder Somaliërs voor de ‘heilige oorlog’.

Samen met Al-Shabaab probeert Al-Qaeda nu opnieuw internationale jihadisten op te leiden in kampen in Somalië. Al-Shabaab legt buitenlandse hulporganisaties beperkingen op en Amerika weigert voedselhulp aan gebieden van de door Washington als terreurorganisatie bestempelde Al-Shabaab. Mede hierdoor vormt Somalië een van de grootste humanitaire rampen en zou honger, net als in 1992, het argument kunnen vormen voor een buitenlandse interventie.

De risico’s zijn groot in het drijfzand van Somalië. Laat de brand zonder buitenlandse betrokkenheid uitdoven, lijkt de meest rationele optie. „Hoe minder, hoe beter”, schrijft analist Bronwyn Bruton deze maand in het gezaghebbende tijdschrift Foreign Affairs over mogelijke westerse militaire betrokkenheid in Somalië. Richard Dowden, voorzitter van de Britse Royal African Society, pleit ervoor de relatief stabiele regio’s Puntland en Somaliland te steunen en internationaal te erkennen. „Waarom die nadruk op Zuid-Somalië en Mogadishu? Verplaats de hoofdstad naar Noord-Somalië. Als dan Al-Shabaab of een andere groep Puntland en Somaliland aanvalt, komen buitenlandse troepen tussenbeide.”

Het Westen heeft partij gekozen voor de regering van president Sheikh Sharif. De regeringstroepen zijn de zwakste van alle strijdgroepen. De ‘overheid’ controleert slechts enkele huizenblokken in de hoofdstad en kan niet meer soldij betalen dan Al-Shabaab doet. Het Westen leidt in verscheidene landen in Afrika Somalische regeringssoldaten op. De Afrikaanse Unie stationeerde 5.000 vredesmilitairen in Mogadishu, die weinig kunnen uitrichten.

Kenia en Ethiopië hebben het meest te verliezen bij destabilisering van de regio. Al-Shabaab ronselt etnische Somaliërs binnen de grenzen van Kenia en Ethiopië. Na alle mislukte vredesconferenties, falende Somalische regeringen en buitenlandse interventies voeren ze nu een eigen politiek van indamming. Het Ethiopische leger steunt in Somalië een militie tegen Al-Shabaab en valt dorpjes in het grensgebied aan als deze onder controle van extremisten vallen. Kenia leidt etnische Somaliërs op voor een militie die in het zuiden van Somalië een bufferzone moet vormen. Ethiopië en Kenia willen hun vingers niet meer branden aan Somalië door een directe interventie.