Weet je nog, die ufo?

Een kind kun je makkelijk pseudoherinneringen aanpraten.

Henry Otgaar keek wanneer dat het makkelijkst gaat.

Kinderen kun je vaak alles wijsmaken, ook over henzelf. Je kunt ze vertellen dat ze, toen ze jonger waren, met hun vingers hebben vastgezeten in een muizenval, bijna gestikt zijn in een snoepje, een akelig darmonderzoek (een ‘darmspoeling’) hebben ondergaan, of zelfs: door een ufo zijn ontvoerd.

Zo’n 30 à 40 procent van de kinderen zal aannemen dat die dingen inderdaad gebeurd zijn. En deze kinderen gelóven zoiets niet alleen, ze gaan zich de gebeurtenis in kwestie ook echt herinneren, zo lijkt het. Ze gaan er in elk geval allerlei nieuwe details over vertellen.

Psycholoog Henry Otgaar is vrijdag gepromoveerd aan de Universiteit Maastricht op zijn onderzoek naar dit soort nepherinneringen. De bovengenoemde voorbeelden heeft hij zelf allemaal bij kinderen gecreëerd.

„Het is een belangrijk onderwerp”, vertelt hij aan de telefoon, „want in nogal wat rechtszaken naar bijvoorbeeld seksueel misbruik worden kinderen op een suggestieve manier ondervraagd. Niet per se door de politie; vaak is het kwaad dan al geschied doordat bijvoorbeeld ouders en leraren daarvóór al suggestieve vragen hebben gesteld. Daardoor kunnen kinderen zich gemakkelijk dingen gaan herinneren die niet gebeurd zijn. Wat ik nu heb onderzocht, is wanneer de kans het grootst is dat zulke pseudoherinneringen ontstaan.”

En wanneer is dat?

„Ten eerste is het gemakkelijker om een negatieve pseudoherinnering te creëren, dus over iets vervelends, dan een positieve. Dat is ook belangrijk voor rechtszaken, want daar gaat het meestal over vervelende gebeurtenissen. Er zijn therapeuten die zeggen: zulke nare en bizarre dingen kán een kind niet verzinnen, maar uit mijn onderzoek blijkt duidelijk dat dat wel kan.

„Ten tweede: als je zegt dat iets vaak voorkomt, zie je een drastische verhoging in de vatbaarheid. En ten derde: als een kind ergens veel vanaf weet, dus als je informatie geeft hoe iets in zijn werk gaat, vergroot dat ook de kans op pseudoherinneringen. Verder zijn kinderen, van 7 en 8 jaar, groep 4, wat vatbaarder dan oudere kinderen, van 11 en 12 jaar, uit groep 8.”

Hoe gaat zo’n onderzoek eigenlijk in zijn werk?

„We interviewen ieder kind afzonderlijk, ongeveer tien minuten. We zeggen dat we een onderzoekje doen over het geheugen, en dan vertellen we hun eerst een paar verhaaltjes over gebeurtenissen die ze echt hebben meegemaakt – over de eerste schooldag, een schoolreisje, een vakantie. Dat weten we van de ouders. Daarna liegen we en zeggen we bijvoorbeeld: we hebben van je moeder gehoord dat je met je vingers in een muizenval hebt gezeten toen je vier was, kun je daar iets over vertellen? En dan zie je dat ongeveer 40 tot 45 procent van de kinderen uit groep 4 en 20 tot 30 procent van de kinderen uit groep 8 meteen al met allerlei details daarover komt. Terwijl we zeker weten dat het niet gebeurd is.”

Het is nogal wat, om kinderen zo’n vervelende herinnering aan te praten. Hoe vind je ouders die hun kind aan zo’n onderzoek willen laten deelnemen?

„Ja, dat is inderdaad moeilijk. Je zoekt eerst scholen die mee willen doen; voor mijn promotieonderzoek heb ik met tien tot vijftien scholen gewerkt. Via zo’n school stuur je dan een brief naar alle ouders. Ouders die willen deelnemen geven hun telefoonnummer, zodat wij hen kunnen bellen om het onderzoek uit te leggen. Ze willen natuurlijk altijd graag dat hun kind achteraf heel duidelijk uitgelegd krijgt dat wat we in het onderzoek vertellen, niet echt is. Dat doen we ook heel uitgebreid, we nemen ieder kind apart.”

En hoe weet je zeker dat een kind niet toch blijft geloven dat het door een ufo is ontvoerd?

„Ook dat is moeilijk, ja. Vroeger zeiden onderzoekers tegen zo’n kind: we hebben je iets wijsgemaakt, het was niet echt. Wij doen het nu anders. Wij zeggen: er is een fout gemaakt in het onderzoek, we hebben jou per ongeluk het verkeerde verhaaltje verteld, dit heb je niet echt meegemaakt. Soms houdt een kind vol dat hij het zich toch kan herinneren. Dan moeten we nog een paar keer vertellen dat het écht niet zo was, dat het een fout was. Sommige kinderen zeggen trouwens ook meteen: ja, ik vond het al vreemd.”

Geloofden die het dan wel echt, hadden ze echt wel een nepherinnering ontwikkeld?

„Dat is een belangrijke theoretische vraag. Zeggen die kinderen dat ze het zich herinneren om ons een plezier te doen, of geloven ze het echt? In rechtszaken is het trouwens allebei even gevaarlijk.

Maar er zijn aanwijzingen dat de kinderen het echt geloven. Er zijn bijvoorbeeld vrijwel geen verschillen in de manier waarop kinderen echte herinneringen en pseudoherinneringen beschrijven. Hier gaan we binnenkort nog meer onderzoek naar doen, om dat voor eens en voor altijd uit te zoeken.”