Vogels en grote dieren worden het best beschermd

Leuke dieren zoals vogels en zoogdieren maken de meeste kans op bescherming, lelijke dieren zoals insecten en andere ongewervelden het minst.

Dat concludeert bioloog Edo Knegtering in zijn proefschrift. Hij promoveert volgende week vrijdag aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Je kunt maar beter geen klein, lelijk, ongewerveld dier zijn”, aldus Knegtering.

Hij bestudeerde wetgeving tussen 1857 en 1995 en legde vertegenwoordigers van ANWB, Natuurmonumenten en LTO-Nederland beschermingsmaatregelen voor zestien verschillende diersoorten voor.

Vogels worden het meest gewaardeerd. Zij krijgen ook de meeste beschermende maatregelen. De nachtegaal was de eerste diersoort in Nederland die werd beschermd. De meeste kans op sympathie hebben grotere, niet schadelijke vogels zoals de lepelaar.

‘Aaibaarheid’ is een belangrijke factor, maar de bescherming van zoogdieren kwam pas in 1973 op gang, terwijl veel vogels (toch minder aaibaar) al in 1880 beschermd werden. Dit komt onder andere doordat vogels kunnen vliegen, zichtbaar en hoorbaar zijn en ‘esthetisch worden gewaardeerd’, aldus Knegtering. Bovendien zijn vogels net als mensen tweebenig, en dat schept ook een band, zo blijkt uit ander onderzoek. Maar zoogdieren verschuilen zich, zijn vaak saai gekleurd en lopen altijd gebukt op vier poten.

Belangenorganisaties hebben verder de neiging om grotere dieren te bescherming. In de wet worden traditioneel overigens vooral kleinere diersoorten beschermd. Grotere dieren waren lange tijd vooral interessant voor jacht en visserij, waardoor bescherming achterbleef.

Er staan zo’n vierduizend soorten op Nederlandse rode lijsten. Slechts een deel daarvan wordt wettelijk beschermd. Zeldzaamheid alleen is volgens Knegterings onderzoek niet genoeg. Zo waren er in de onderzochte wetgeving maar weinig beschermde insecten te vinden. Andere ongewervelden zoals wormen en spinnen kwamen helemaal niet aan bod.