Staatsvissershavenbedrijf

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

‘Hier wordt elke vis die de haven van IJmuiden binnenkomt geregistreerd”, zei meneer Tielemans. We stonden midden op de werkvloer van het Staatsvissershavenbedrijf, een grote ruimte vol bureaus waar mannen en vrouwen ijverig tikten op typemachines. Het laaghangend plafond had dezelfde grijzige kleur als de linoleumvloer. Naast hun typemachines lagen stapels oranje vouwmappen met handgeschreven papieren vol gedetailleerde informatie over de soorten vis die gevangen waren en de schepen die de haven in- en uitvoeren.

Ik was daar omdat ik meneer Tielemans had gevraagd of ik een keer met hem mee mocht lopen. Ik was benieuwd hoe het er aan toeging op een kantoor. In mijn pauze was ik in mijn werkkleding naar het Staatsvissershavenbedrijf gelopen dat op een paar meter van mijn werkplek lag.

Sinds ik terug was uit Marokko ging ik met steeds meer tegenzin naar mijn werk. Bij mijn lerares mevrouw Van den Oever leerde ik dat dat kwam omdat ik een ambitieuze jongen was. Volgens haar had iedereen een taak in het leven, en dat is het verwezenlijken van je ambities. Maar waar kwam die ambitie vandaan? Waarom nam ik niet net zoals Mustapha en Kemal genoegen met het werk in de haven?

Bij het zoeken naar een antwoord op die vragen kwam ik uit bij mijn broer Moha. Toen hij op het punt stond naar Europa te gaan, had hij het gevoel dat de wereld aan zijn voeten lag. Hij zou Frans gaan leren en nieuwe mensen ontmoeten. Hij zou reizen en vanuit elke Europese hoofdstad een souvenir opsturen. En hij zou zoveel geld verdienen dat hij het dorp een nieuwe moskee kon schenken.

Het liep anders. Na vijf jaar in Lille was niet één van die dromen verwezenlijkt. Het monotone werk in de mijnen had hem afgestompt. Beetje bij beetje liet hij zijn idealen achter in de Franse mijnschachten. Wat hij daarvoor in de plaats mee naar boven nam, was desillusie zo zwart als de steenkolen die hij uit de grotten hieuw. Dat maakte hem ziek en zuur. Mij zou dat niet overkomen. Ik wilde blijven genieten van mijn leven.

„Driss, mag ik jou voorstellen aan Nathalie”, zei meneer Tielemans. „Nathalie is onze secretaresse. Zonder haar zou niemand meer in Nederland een vis eten.” Vol bewondering keek ik haar aan. Als ik meneer Tielemans mocht geloven dan had ze een hele gewichtige baan. Maar als dat zo was, waar haalde ze dan de tijd vandaan om haar nagels aan het bureau te vijlen en te lakken?

„HALLO DRISS, JIJ LEUK VINDEN HIER?!” schreeuwde ze alsof ik haar anders niet zou begrijpen. „HIJ HEEL LEUK VINDEN HIER. MAAR NU WEGGAAN MOET!” brulde meneer Tielemans terug. Hij trok zich met me mee en mompelde: „Dom wicht.”

Iedereen had hier mooie en schone kleren aan. Niemand stonk naar vis, terwijl zij net als ik hun geld daaraan verdienden. Niemand schreeuwde orders naar de ander, niemand hoefde bang te zijn om een bak met ijs op zijn hoofd te krijgen. Ze hadden een kop koffie bij de hand en de spullen op hun bureaus waren netjes geordend. Ik was onder de indruk. Maar van hun werkzaamheden begreep ik niets. Het duizelde mij van het jargon dat ze tegen elkaar gebruikten. En hoe konden ze hun weg vinden in deze oneindige hoeveelheid documenten? In mijn overall liep ik terug naar mijn werkplek met het idee dat een kantoorbaan te hoog gegrepen was. Misschien hoorde ik nergens anders thuis dan in het ruim van een schip.

Driss Tafersiti