Onbesuisd opgestapt

Het Tweede Kamerlid Boekestijn van de VVD, net 50 jaar geworden, maakt van zijn hart liever geen moordkuil. En dus deed hij na afloop van een groepsbezoek van een vijftigtal parlementariërs aan koningin Beatrix gisteravond ten overstaan van journalisten verslag van dit „intellectuele gesprek op hoog niveau” met Hare Majesteit. Zichtbaar geïmponeerd en enthousiast over deze „mooie” ontmoeting op Paleis Noordeinde vertelde Boekestijn onbekommerd dat koningin Beatrix zich „zorgen maakt over de kloof tussen kiezer en gekozene en de hypecultuur in het parlement”.

Hij onthulde daarmee opvattingen van de koningin, waarop alleen de premier aanspreekbaar is. Dat had hij dus beter niet kunnen doen. Boekestijn was in de bus naar het werkpaleis gestapt, wetend dat hij en zijn collega’s een vertrouwelijk gesprek zouden hebben met het onschendbare staatshoofd. Hij had de ontmoeting aan zich voorbij kunnen laten gaan; de eenzijdig afgedwongen zwijgplicht was voor SP en D66 reden om niet mee te gaan.

Dat zijn gaffe gevolgen moest hebben, is logisch. Wie vooraf belooft zijn mond te houden, moet dat achteraf ook doen. De ontmoeting van gisteren was de eerste sinds een akkefietje in 1999, toen een aantal Kamerleden ook vrijelijk de koningin citeerde. Zeker Boekestijn, die eerder al last heeft gehad van zijn spraakwaterval, had zijn jongensachtige onbesuisdheid moeten intomen. Maar dat hij ook meteen zijn ontslag aanbood als lid van de Tweede Kamer is buiten proportie.

Met verontschuldigingen jegens zowel de collega’s in het parlement als het staatshoofd zou de lucht wellicht ook zijn geklaard. Na onderling beraad met fractievoorzitter Rutte besloot Boekestijn zijn kiezersmandaat maar helemaal op te geven.

Beiden beklemtoonden dat de drastische beslissing door de parlementariër zelf was genomen. Hoe dan ook, Rutte heeft hem kennelijk niet kunnen of willen weerhouden van deze tweede onbesuisdheid op één avond. En dat is raar, tenminste als Rutte het meende dat Boekestijn voor de VVD zo’n belangrijke politicus is omdat hij „ontwikkelingssamenwerking op de kaart heeft gezet”.

Dat deze toch bij uitstek politieke verdienste volgens beide VVD’ers kennelijk ondergeschikt is aan het staatsrechtelijke decorum, illustreert weer hoe ongemakkelijk de verhouding is tussen het staatshoofd en de volksvertegenwoordiging. Het ligt voor de hand dat ministers niet naar buiten brengen wat de koningin zelf van staatszaken vindt. Zij zijn immers grondwettelijk verantwoordelijk. De leden van de Tweede Kamer hoeven echter niet zo krampachtig te zijn. Dat hoort ook niet bij hun rol. De regering spreekt namens de Staat, het parlement vertegenwoordigt het volk. Als Kamerleden het staatshoofd net als ministers uit de wind moeten houden op straffe van voortijdig vertrek, dan kunnen zij uiteindelijk hun controlerende taak niet meer naar behoren uitoefenen.

Het staat buiten kijf dat Boekestijn zich had moeten beheersen. Maar flapuit of niet, hij heeft niet meer dan een protocollaire fout gemaakt en niemand in de regering of het parlement politiek in verlegenheid gebracht.