Nieuwe effectieve therapie tegen borderline

Tegen borderline, een ingrijpende psychiatrische stoornis, blijkt schematherapie opvallend effectief. De therapie verandert aangeleerde gedragspatronen.

‘Schematherapie’ werkt zeer effectief tegen borderline, een aandoening die bekend staat als onbehandelbaar. Na 1,5 jaar therapie is 42 procent van de patiënten zodanig hersteld dat zij niet langer voldoen aan de criteria voor borderline; 56 procent vertoont een klinisch relevante verbetering. Schematherapie is daarnaast goed uitvoerbaar in de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Dat schreven Nederlandse onderzoekers vorige week in het tijdschrift Behaviour Research and Therapy.

Schematherapie is een vorm van cognitieve therapie. „De patiënt werkt intensief samen met één therapeut, die optreedt als rolmodel”, vertelt Marjon Nadort, onderzoeker bij het VU Medisch Centrum en eerste auteur van het artikel. „In schematherapie neemt de therapeut als het ware de rol van ‘goede ouder’ op zich, en geeft adviezen en structuur. Daardoor leert de patiënt anders en positiever naar zichzelf en naar het leven te kijken. Dat vertaalt zich op den duur in ‘gezonde’ gedragspatronen.”

Borderline is een psychiatrische stoornis met een breed spectrum aan symptomen. Patiënten zijn geestelijk erg instabiel: ze zijn impulsief en kunnen slecht tegen stress, hun emoties vliegen heen en weer en ze hebben vaak identiteitsproblemen en verlatingsangst. Veel patiënten doen zichzelf pijn en hebben zelfmoordneigingen. De aandoening komt veel voor: naar schatting lijdt één op de vijftig mensen aan borderline. De medische, maatschappelijke en persoonlijke kosten zijn aanzienlijk.

„Mensen met borderline hebben vaak traumatische dingen meegemaakt en kijken daardoor op een gekleurde manier naar de werkelijkheid”, vertelt Marjon Nadort, onderzoeker bij het VU Medisch Centrum en eerste auteur van het artikel. “Dat vertaalt zich in de strategieën die ze gebruiken om met bepaalde situaties om te gaan.” Schematherapie wil patiënten bewust maken van deze aangeleerde patronen, ook wel schema’s genoemd, om die vervolgens te kunnen veranderen.

Schematherapie is in de jaren tachtig ontwikkeld in Amerika, maar pas tweemaal eerder experimenteel onderzocht. In de eerste studie maakten Nederlandse wetenschappers een vergelijking tussen schematherapie en zogenaamde ‘overdrachtsgerichte psychoanalytische psychotherapie’, een methode die in Nederland eveneens gangbaar is. Die studie uit 2006, waaraan ook Nadort meewerkte, concludeerde dat schematherapie effectiever is en dat er minder patiënten bij afhaken. De tweede studie, van Amerikaanse collega’s eerder dit jaar, meldde een verrassend hoog herstelpercentage van 94 procent als individuele, standaard psychotherapie wordt gecombineerd met schema-groepstherapie.

In de studie die vorige week werd gepubliceerd, onderzocht hetzelfde Nederlandse team niet alleen de effectiviteit, maar ook de uitvoerbaarheid van schematherapie in de reguliere geestelijke gezondheidszorg. „Schematherapie is erg intensief, vooral voor de therapeuten”, zegt Nadort. „Ze zijn emotioneel erg bij hun patiënten betrokken. In principe zijn ze 24 uur per dag telefonisch bereikbaar.” Maar die telefonische bereikbaarheid bleek geen verschil te maken voor het resultaat. Ook hoeven patiënten niet per se opgenomen te worden.