Nederland adieu, ik vertrek... misschien wel

Wordt premier Balkenende tóch de voorzitter van de Europese Raad ?

Zijn tussentijds vertrek zou een unicum zijn in onze parlementaire geschiedenis.

Als vandaag in Brussel de belangrijkste kanshebbers tegen elkaar worden uitgespeeld, zou tóch nog de 52-jarige Jan Peter Balkenende voorzitter van de Europese Raad kunnen worden. Maar mag hij in dat geval, tegen de zin van een groot deel van de Tweede Kamer en mogelijk ook van een groep collega’s in zijn vierde kabinet, zijn premierschap tussentijds beëindigen en naar Brussel verhuizen?

De parlementaire oppositie, die hem ondanks zijn drie verkiezingsoverwinningen sinds 2002 steeds heeft getypeerd als een permanente politieke brekebeen, vindt dat hij in deze moeilijke tijden eigenlijk niet in Den Haag gemist kan worden: hij moet zijn Nederlandse karwei afmaken.

Nog een verbazend detail: dezelfde man die na ernstige conflicten in de top van zijn partij in 2002 min of meer toevallig en als voorlopige ‘noodoplossing’ CDA-lijsttrekker (en vervolgens premier) werd, is intussen in Europa een gewaardeerde veteraan die genoemd wordt voor de nieuwe hoogste EU-post.

Vragen dus, veel vragen. Als Balkenende gaat, zijn er dan nieuwe verkiezingen nodig? Of kan, bijvoorbeeld, zijn partijgenoot Maxime Verhagen het premierschap ‘zomaar’ van hem overnemen? En kan dat dan staatsrechtelijk wel, de minister-president laten vertrekken en hem zonder nieuwe verkiezingen vervangen? Ja, dat kan, als een parlementaire meerderheid vindt dat de politieke opportuniteit dat vereist. Wat zei Balkenendes verre voorganger Biesheuvel, premier van 1971 tot ’73, eens lachend op een persconferentie?: „Dames en heren, wij maken nieuw staatsrecht waar u bij zit.”

Het zou uniek in de Nederlandse parlementaire geschiedenis zijn als een zittend minister-president tussentijds vertrekt om een hoge internationale functie te aanvaarden. In de naoorlogse geschiedenis zijn er daarentegen wel voorbeelden van ministers die ‘uit hun ambt’ naar de NAVO, de EU of de Wereldbank vertrokken.

Wat de EU betreft, valt te denken aan vier ministers die hun kabinet voortijdig verlieten om Eurocommissaris in Brussel te worden. Namelijk: de PvdA’er Mansholt, die begin 1958 als minister van Landbouw afscheid nam van het laatste kabinet-Drees, de KVP’er Lardinois, die begin ’73 uit het (al demissionaire) kabinet-Biesheuvel vertrok, de PvdA’er Vredeling, die begin 1977 als minister van Defensie het kabinet-Den Uyl verliet en de CDA’er Van den Broek, die in januari 1993 voortijdig afscheid nam als minister van Buitenlandse Zaken in het derde kabinet-Lubbers. Het vertrek van Van den Broek was trouwens mede bepaald door een intern meningsverschil. Van den Broek had bezwaar tegen de zijns inziens te grote rol van de premier op het terrein van het buitenlands (vooral: Europees) beleid.

Tussentijds aftreden als minister van Buitenlandse Zaken, tijdens het tweede kabinet-Balkenende, deed ook de CDA’er De Hoop Scheffer. Hij werd in 2004 secretaris-generaal van de NAVO. Strikt genomen hoort in deze rij ook de PvdA’er Lieftinck thuis, minister van Financiën van 1945 tot juli 1952. Die destijds beroemde man had na de oorlog het uit zijn voegen geraakte nationale geldstelsel gesaneerd, onder meer met ‘het tientje van Lieftinck’. Hij achtte midden 1952 zijn werk gedaan en nam drie maanden voor de verkiezingen ontslag om naar de Wereldbank te gaan. Hij werd in het toenmalige kabinet niet opgevolgd, premier Drees deed Financiën er een paar maanden ‘bij’.

Tot een jaar of dertig geleden konden ministers zonder veel opschudding of discussie vervroegd vertrekken naar een hoge internationale post. Het aantal leden van de EU (destijds nog EEG, daarna EG) en de NAVO was veel kleiner en de ‘vanzelfsprekende’ publieke steun voor zulke organisaties was veel groter. Buitenlandse politiek was veel meer dan vandaag het exclusieve jachtterrein van een groepje politici en diplomaten in krijtstreeppakken. Er stond niet in alle Nederlandse huiskamers een televisietoestel en de grote politieke partijen zagen nog maar weinig electoraal voordeel in debatten over het buitenlands beleid. De benoeming van een landgenoot op een hoge internationale post gold vrijwel alom als hoogst eervol.

De meeste landgenoten zien zulke benoemingen nog steeds als eervol. Maar er is wel veel veranderd. De nationale discussie over de benoeming van De Hoop Scheffer tot secretaris-generaal van de NAVO in 2004, die door velen werd beschouwd als een beloning voor zijn steun aan de VS voor de inval in Irak, laat dat zien. Hoezeer de situatie is gewijzigd, bleek eerder ook al uit het nationale debat rondom de mislukte kandidatuur van premier Ruud Lubbers (1982- 1994) voor het voorzitterschap van de Europese Commissie in 1994, en zijn triest mislukte gooi daarna naar de functie van secretaris-generaal van de NAVO.

Zeker, Lubbers was net geen premier en CDA-leider meer toen de formele benoeming van een nieuwe voorzitter van de Europese Commissie in 1994 op de agenda stond. Maar hij had uiteraard al in de jaren daarvoor over een kandidatuur nagedacht.

Lubbers was, in september 1993, door Helmut Kohl gevraagd of hij eventueel beschikbaar was. De Duitse kanselier was destijds de kingmaker van de Europese christen-democraten, die ‘aan de beurt’ waren om iemand voor te dragen. Dat Lubbers, die als premier en partijleider liever niet te vroeg openlijk kandidaat wilde zijn voor Brussel, Kohl naar diens gevoel te lang op antwoord liet wachten, leidde er toe dat deze zijn steun introk. Zodat eind 1993 al nagenoeg vaststond dat Lubbers’ kandidatuur zou gaan mislukken.

Maar daarom gaat het hier nu niet. Nu is het, gegeven alle speculaties rondom de toekomst van premier en CDA-leider Balkenende, interessant te kijken naar een ander aspect van wat toen de heftig besproken kwestie-Lubbers was. Namelijk dat het voor een premier die ook partijleider is, geboden is de aankondiging van zijn komende vertrek perfect te timen. Enerzijds mag hij als premier niet te vroeg een lame duck worden, anderzijds moet zijn komende vertrek vroeg genoeg bekend zijn om zijn partij voldoende tijd te geven voor de keuze en profilering van een opvolger als lijsttrekker.

De volgende Kamerverkiezingen zijn over anderhalf jaar en Balkenende is nu zeven jaar premier en partijleider. Mocht hij toch per 1 januari 2010 die mooie baan in Brussel krijgen, dan betekent dat voor de profilering van zijn opvolger (Verhagen?) in elk geval een godsgeschenk.

J.M. Bik is oud-redacteur en medewerker van deze krant.