Zorgvuldige expositie van kleine schilder

Tentoonstelling De verborgen meester, Meijer de Haan. Tot en met 24 januari in het Joods Historisch Museum, Nieuwe Amstelstraat 1, Amsterdam. Inl: www.jhm.nl****

Meijer de Haan, was dat niet een schilder? Iemand uit de buurt van de gebroeders Van Gogh? En had het Van Gogh Museum niet iets van hem? Goede zaak dus, dat er nu een hele tentoonstelling aan Meijer Isaac de Haan (1852-1895) is gewijd. Deze verborgen meester, is momenteel te zien in het Joods Historisch Museum en de expositie gaat daarna naar het Musée d’Orsay in Parijs en het Musée des Beaux Arts in Quimper. In Bretagne beleefde de Amsterdamse schilder omstreeks 1890 een korte bloeiperiode.

Bijna alle traceerbare werken van De Haan zijn op de tentoonstelling te zien. Toch zijn dat er maar 39. Het lijkt erop dat een groot deel van zijn oeuvre verloren is gegaan. Het belangrijkste werk uit zijn Amsterdamse tijd bijvoorbeeld, Uriël Costa, is al meer dan een eeuw zoek. De Haan werkte acht jaar aan het enorme figuurstuk voordat hij het in 1888 tentoonstelde. Een groezelige zwartwit-reproductie op het omslag van de catalogus is de enige afbeelding die ervan bewaard bleef. Nog in 2004 werd een geschilderde voorstudie voor Uriël Costa op straat in Amsterdam bij het huisvuil aangetroffen.

Toch geeft de kleine groep nog bekende schilderijen uit zijn Amsterdamse jaren een indruk van wat De Haan in die tijd maakte: stillevens, portretten en interieurs met figuren, duidelijk geënt op de zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst. Niet heel slecht, maar ook niet heel bijzonder. Het aardigst zijn twee tekeningen: een zelfportret met bakkersmuts waarop de schilder zichzelf en ons toelacht en een klein portretje van een oude man.

In september 1888 verhuisde De Haan naar Parijs en kort daarna verruilde hij ook zijn donkere Hollandse schilderstijl voor een Franse. Ineens ging hij lichter en kleurrijker werken, net als Van Gogh drie jaar eerder. De Haan logeerde de eerste maanden bij kunsthandelaar Theo van Gogh, de broer van Vincent. Via Theo leerde hij Paul Gauguin kennen, die bepalend was voor de plotselinge stijlbreuk en de artistieke bloeiperiode die daarop volgde. In 1889 en 1890 werkte De Haan samen met Gauguin in Bretagne. Af en toe schreef hij van daaruit een brief aan Theo van Gogh en ook daarin lijkt hij op Vincent: die elf brieven vormen de belangrijkste bron over De Haans Franse leven en werk. Overigens hebben hij en Vincent elkaar nooit ontmoet.

De tweede helft van de tentoonstelling bestaat vooral uit Gauguin-achtige stillevens en zelfportretten. Heldere kleurvlakken, ingesloten door dikke contouren. Tot besluit is er een serie Bretonse landschappen. Opvallend zijn een herfstachtig oranjebruin dorpsgezicht uit het Kröller-Müller Museum en Maternité (1889), een intiem schilderij van De Haans vriendin Marie Henry die haar pasgeboren kind zoogt. Het kindje is liefdevol geschilderd en de jonge vrouw ronduit verliefd.

Niet alleen is het overgrote deel van De Haans bewaard gebleven oeuvre op de tentoonstelling bijeengebracht, er zijn ook veel documenten te zien. Een bouwtekening van zijn atelier in Amsterdam, foto’s van zijn Franse adressen, een portrettekeningetje van en een brief aan Theo van Gogh, decoraties die Gauguin en De Haan ontwierpen voor een herberg in Le Pouldu. Het is duidelijk zo’n expositie waar jarenlang aan gewerkt is. Je ziet de zorg en kennis eraan af. Meijer de Haan was geen opzienbarende schilder, eerder een volger dan een voorloper, maar zijn verhaal is nu tenminste uitgebreid en goed verteld. Voortaan weten we wie hij was.