Op een goede dag 1 zetel in de peilingen

Wilders’ PVV bestaat in de peilingen, niet in het land. Bij Rita Verdonk is het andersom.

Wat heeft Rita Verdonk haar aanhang straks te bieden?

Twee dames op leeftijd verlaten de Tweede Kans Winkel in Moerkapelle. In de verder door regen leeggeslagen straat wordt hun oog getrokken door een groepje mensen in oranje regenjassen. Vast politici, speculeren ze, volgende week zijn er tenslotte verkiezingen.

„Zou het de SGP zijn?” vraagt er één. Dan zien ze Rita Verdonk. „Oooh, het is Rita!” zegt de ander. Ze lacht. „Die is niet helemaal mijn soort”, zegt haar vriendin. „Kom, we gaan gauw weg.”

Tien dagen geleden voerde Verdonk met haar beweging Trots op Nederland campagne in de nieuwe Zuid-Hollandse gemeente Zuidplas. Daar vinden vandaag, net als in zes andere nieuwe gemeenten in Nederland, vervroegde verkiezingen voor de gemeenteraad plaats. Andere landelijke partijen laten hun oog vooral vallen op de verkiezingen in de nieuwe fusiegemeente Venlo. In die stad vol politieke onvrede hopen ze het spook van Geert Wilders – aan de verkiezingen doet Wilders zelf niet mee – te bestrijden.

Maar voor Trots op Nederland is Zuidplas vandaag het centrum van de wereld. Daar doet de beweging voor het eerst mee aan verkiezingen. Daar ligt het antwoord op de vraag of Verdonk nog een stemmentrekker is.

Rita Verdonk is bij de plaatselijke Spar naar binnen gestapt. Daar wil ze met burgers in gesprek. In de buurtsuper staan alleen twee kassières te giebelen om de oud-minister van Vreemdelingenzaken, die met hulp van de plaatselijke voorman Ferry van Wijnen haar boodschappenwagen vult met een blok kaas, een zak krentenbollen, eieren en een pakje kauwgom. Als Verdonk naar de kassa loopt, ziet ze de meisjes staan. Eindelijk iemand om mee te praten.

„Het is rustig in de winkel”, zegt ze. Een kassière: „Ja, het is etenstijd, hè.” Met haar boodschappen onder de arm loopt Verdonk de verlaten straat weer in.

Het is de wereld van Trots op Nederland in het klein. Onbekend, onbemind en een beetje onbeholpen. In de landelijke peilingen bestaat de beweging van Rita Verdonk niet of nauwelijks meer. Op een goede dag scoort ze één zetel in de peilingen, op een slechte dag nul. Zij wordt vaker bespot dan serieus genomen in de Tweede Kamer, waar ze met haar onvermijdelijke spiekbriefje in de hand bewindslieden en coalitiepartijen aanvalt om hun gebrek aan leiderschap en daadkracht en hun overmatige liefde voor het pluche.

Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 2006 haalde Rita Verdonk 620.555 stemmen. Toen was ze nog VVD’er. Meer kiezers dan er mensen in Rotterdam wonen, meer dan Geert Wilders en – uniek in de geschiedenis – meer dan haar toenmalige partijleider, Mark Rutte. Toen Verdonk wegens chronische ongehoorzaamheid twee jaar geleden uit de VVD-fractie werd gezet en haar nieuwe beweging begon, beloofden de peilingen haar gouden bergen. Wilders maakte zich zoveel zorgen dat hij haar probeerde in te lijven bij zijn PVV.

Peilingen zijn altijd een onbetrouwbare bron van politiek zelfvertrouwen. Nu is het Wilders die drijft op de belofte van peilcijfers. Verdonk is volgens haar tegenstanders, en niets is erger voor een politicus, ongevaarlijk geworden. Zou ze twee jaar geleden gezegd hebben dat pedofielen gedwongen gecastreerd moeten worden, dan was ze met woede begroet – en zouden de praatprogramma’s zich hebben gevuld met voor- en tegenstanders. Nu wordt besmuikt om haar gelachen. In de Tweede Kamer, in het kabinet, maar ook in de media en op websites die haar vroeger beter gezind waren.

Tegenwoordig vragen mensen haar wanneer ze er mee stopt, en verwonderen ze zich over haar doorzettingsvermogen.

Maar gemeten langs een andere maatstaf zou je kunnen zeggen dat ze misschien wel méér aanhang heeft dan de PVV. De ‘partij’ van Wilders heeft geen leden en bestaat alleen op een verdieping in het Tweede-Kamergebouw. Trots op Nederland bestaat ook buiten het Binnenhof. Op 49 plaatsen in het land zijn lokale afdelingen opgericht. In die afdelingen zijn volgens de partij rond de achthonderd bestuurders en kandidaten actief. De beweging is intussen veel groter dan alleen Verdonk.

Dat is ook te zien op de campagnedag in Zuidplas. Die ochtend hebben zo’n 150 vrijwilligers uit het hele land zich verzameld bij feestbarak La Baraque aan de rand van Zevenhuizen. Ze zijn zichtbaar blij, en een beetje verrast, met de omvang van de eigen groep.

Voor een beweging – het mag geen partij heten – die zich afzet tegen de bestuurlijke elites, is de structuur opmerkelijk traditioneel: met kieskringen, lokale besturen en lokale partijprogramma’s. Met een landelijke ‘redactiecommissie’, die al een jaar bezig is met het opstellen van een partijprogramma. Met duizenden vrijwilligers die met folderen, websites beheren, lokale programma’s schrijven, kandidaten zoeken, toewerken naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2010. Dan moet Trots op Nederland laten zien dat zij wel degelijk bestaansrecht heeft.

Wat is dat bestaansrecht? Kan een kiezer bij Verdonk iets vinden wat andere partijen niet bieden?

Volgens Verdonk zelf is de doofheid van bestuurders en ambtenaren voor de belangen van burgers het grootste politieke issue van Nederland. Haar gedachtengang is als volgt: als goedbedoelende burgers de koppen bij elkaar steken, dan zouden ze voor elk maatschappelijk probleem een oplossing kunnen verzinnen. Een team kundige mensen met een daadkrachtige leider kan die oplossing daarna loslaten op de maatschappij.

Zij en haar beweging, zegt ze bij elke bijeenkomst, zullen naar de burger luisteren. En ja, dat gebeurt ook. Lokale afdelingen organiseren thema-avonden en houden enquêtes om een idee te krijgen van de mening van de eigen aanhang.

Wat er dan gebeurt, was te zien op de eerste landelijke themadag die Trots op Nederland op 15 maart dit jaar in de Utrechtse Jaarbeurs hield. Daar mochten gewone Nederlanders vertellen welke oplossingen ze hadden voor door hun gesignaleerde problemen.

In het zaaltje waar het over de economische crisis ging, was er een licht ruzieachtige discussie tussen een van de burgers, die elke vorm van overheidstimulering waanzin vond, en de voorzitter die dat overduidelijk een onverdraaglijk onverstandig standpunt vond. In het zaaltje mobiliteit ontstond juist een sfeer van eensgezinde redelijkheid, die uitmondde in consensus dat asfalt niet de oplossing is, dat het „combineren van vervoersmodaliteiten” en het ontmoedigen van ongewenst gedrag met „financiële prikkels”, met natuurlijk de nodige aandacht voor „compenserende maatregelen bij ongewenste bijverschijnselen”, de enige manier is om het Nederlandse verkeersinfarct op te lossen.

Zo maakte Trots op Nederland kennis met een oude politieke wet: iedereen overal over laten meepraten is niet altijd de beste manier om een aansprekend, voor elke kiezer herkenbaar standpunt te formuleren. In de werkelijkheid van complexe problemen en conflicterende belangen levert inspraak juist vaak genuanceerde compromissen op, die nauwelijks in één zin zijn samen te vatten. Of ruzie.

Het lokale verkiezingsprogramma in Zuidplas is gebaseerd op een enquête onder bewoners. Geschreven, zo staat in het voorwoord, „zonder ‘oude’ politiek van zelfgenoegzame regenten”. Hier is opnieuw naar de burger geluisterd. Want „na jaren van bestuurlijke arrogantie en ‘wij weten wel wat goed voor u is’, is het nu tijd voor u, de inwoners van Zuidplas.”

Het lijkt of de valkuil voor de beweging van Verdonk in 18 pagina’s is samengevat. Luisteren naar de burger levert vaak een rijk geschakeerd beeld op. Zoals: hangjongeren mogen geen overlast opleveren, maar ze hebben wel recht op ‘prettige locaties in de publieke ruimte’, anders krijg je problemen. Of: openbaar vervoer is belangrijk, maar de auto ook. Het zijn algemene waarheden (meer handhaven, minder gedogen, meer veiligheid, beter onderwijs) die nergens afwijken van wat de ‘zelfgenoegzame regenten’ belijden waar Verdonk tegen ageert. Geen programma waarmee TON scherp afstand neemt van de gevestigde orde. Integendeel.

Wat overblijft, is de belofte van daadkracht. Zoals Verdonk zegt: „De plannen van anderen leveren vooral een groot praatcircus op. Wij gaan echt doen wat we voorstellen.”

Trots op Nederland is anders, zeggen ook de vrijwilligers. Ze wijzen naar Verdonk als voorbeeld. Als minister van Vreemdelingenzaken zei Verdonk wat ze deed, deed wat ze zei, en boekte daar ook nog eens resultaten mee.

Critici van haar beleid denken daar anders over. Volgens hen was Verdonks inburgeringswet zo onwerkbaar dat het aantal inburgeraars dramatisch daalde. Ook kreeg ze niet veel meer uitgeprocedeerde asielzoekers het land uit dan haar opvolger. En bij het aanscherpen van het toelatingsbeleid scheerde ze ook nog eens vaak langs de randen van wet. Dat leidde tot twee rechterlijke uitspraken die volgens juristen grote gaten in het asielbeleid sloegen.

Maar eigenlijk heeft Verdonk die tijd achter zich gelaten. Ze is allang niet meer hét boegbeeld van de onvrede over het Nederlandse immigratie- en integratiebeleid. Met vallen en opstaan probeert ze zich te ontwikkelen tot een politicus die ook over andere onderwerpen een soms verrassend genuanceerd standpunt heeft – met het onophoudelijk hameren op regenten, achterkamertjes en bureaucratie als voornaamste herinnering aan haar oude reputatie als harde houwdegen.

Als de stemmen geteld zijn, zal in ieder geval blijken wat de burgers van Zuidplas van die transformatie vinden.