Nieuwe Nederlanders

Alle burgers van Nederland zijn gelijkwaardig, maar van migranten mag een extra inspanning worden verwacht om zich te voegen naar de Nederlandse samenleving. Dit is een kernzin uit de ‘Integratiebrief’ die minister Van der Laan (Integratie, PvdA) gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De brief bevat de „geactualiseerde visie” van het kabinet op integratie, op de positie van ‘nieuwe Nederlanders’ in het algemeen en van moslims in het bijzonder, op gettovorming en segregatie en op de aanpak van racisme.

Wie vervolgens verwacht dat het kabinet een serie nieuwe maatregelen aankondigt, wordt al snel uit de droom geholpen: die staan er vrijwel niet in.

Kennelijk voelde Van der Laan de behoefte om het kabinetsbeleid en zichzelf als bewindsman meer profiel te geven. De toon van de brief is dan ook interessanter dan de verwijzingen naar de maatregelen die het kabinet al heeft genomen. Mocht hier en daar worden verondersteld dat er op het gebied van integratie en de nadelen van immigratie nog twintigste-eeuwse taboes bestaan, dan weerspreekt Van der Laan dat met deze brief. Zij het dat hij een nieuw ‘taboe’ introduceert: hij mijdt het begrip ‘allochtoon’ en geeft de voorkeur aan de term ‘nieuwe Nederlander’, om zo de blik niet naar het verleden, maar naar de toekomst te richten.

Dat roept alvast de vraag op hoelang in Utrecht, Amsterdam of elders in Nederland geboren jongens en meisjes wier ouders van buitenlandse afkomst zijn, zich nog als ‘nieuwe’ Nederlander moeten beschouwen. Misschien is integratie pas geslaagd als ook deze woorden uit het jargon kunnen worden geschrapt.

Intussen valt de brief van Van der Laan op door zijn nuchtere constateringen: de minister laat inderdaad niets onbenoemd en is duidelijk over de eisen die hij aan de ‘nieuwe Nederlanders’ stelt. Samengevat: aanpassen, desgewenst met behoud van culturele identiteit. Hij signaleert de problemen in buurten die in meerderheid door immigranten worden bevolkt, de onevenredig grote werkloosheid onder jongeren van niet-westerse afkomst, de oververtegenwoordiging van Antilliaans- en Marokkaans-Nederlandse jongeren in de criminaliteit, enzovoorts. In EU-verband wil hij laten onderzoeken of ook aan Polen en andere Europese immigranten inburgeringseisen kunnen worden gesteld.

Tegelijkertijd staat de minister op de bres voor de vrijheid van godsdienst, wil hij een steviger aanpak van discriminatie en zet hij enkele cijfers in het juiste perspectief. Wie beweert dat er een „tsunami van islamisering” op komst is, zoals de leider van de PVV heeft gedaan, zou zich gelogenstraft kunnen voelen door de constatering dat het migratiesaldo van niet-westerse migranten in 2008 in verhouding tot het totale bevolkingscijfer 0,12 procent bedroeg.

Verder legt de minister het nodige op het bord van anderen: de segregatie in de wijken en het onderwijs moet vooral door de gemeenten en de scholen worden aangepakt. Dus moet het parool na de brief luiden: aan het werk maar weer.