'Mag ik een keer miserabel zijn?'

De Noorse regisseur Rune Denstad Langlo kreeg tot zijn schrik de mogelijkheid een speelfilm te maken. En hij won er nog prijzen mee ook. „Heftige films zijn aan mij niet besteed.”

Coen van Zwol

Een geestig filmpje, meer had de Noor Rune Denstad Langlo (37) echt niet in gedachten bij zijn debuut North. Zeker niet prijzen op de Berlinale of het New Yorkse Tribeca-festival. „We schreven een script, kregen wat geld en opeens stond ik me op de set af te vragen wat al die mensen hier deden”, zegt Langlo. „Gelukkig hadden de cameraman en hoofdrolspeler wel ervaring.”

De Noor Langlo is geen type dat zich breed maakt. Baard, leren jas, trage dictie: een zoon van het noordelijke Trondheim. Zijn debuut North is een pretentieloze road movie, of off-roadmovie, over de depressieve Jomar die leeft bovenaan een skipiste en te horen krijgt dat hij een zoontje heeft: aanleiding voor een tocht per sneeuwmobiel naar het nog hogere Noorden. Onderweg herstelt hij via ontmoetingen met andere zonderlingen zijn band met de mensheid.

North is doordesemd van dat gortdroge Scandinavische absurdisme. De verbaasde slaapwandelstijl van acteren roept vergelijkingen op met Buster Keaton of Jim Jarmusch, maar Langlo is niet zo’n cinefiel, zegt hij. „Als ik citeer, is dat per ongeluk. Ik hou van humor, maar weet mij geen raad met grote emoties. Heftige films vol verraad, rouw en passie zijn niet aan mij besteed. Bij mij verandert ellende hooguit in gelatenheid.”

Het idee voor North vormde zich in 2005, toen Langlo aan een depressie leed. Terwijl hij „een maand frisse lucht haalde bij mijn ouders in Trondheim” liep hij langs een skipiste en herinnerde zich de „eenzame, ongezonde mannen met vieze truien en baarden en waterige ogen die vroeger soms uit de bossen kwamen. Ze stonken naar drank en scholden als je te dichtbij kwam.” Ziedaar Jomar. „Tot mijn verrukking bleek later dat boven die skipiste echt een depressieve, dronken man woonde. Als zijn bier op was, daverde hij met een enorme sneeuwschuiver door het dorp om nieuwe kratten te halen.”

Langlo had een begin en eind in zijn hoofd, met schrijver Erland Loe schreef hij een script, daarna zocht hij een regisseur. „Tot ik ’s nachts wakker werd en dacht: de film is van mij. Van mij! Nou, paniek. Maar men waagde de gok.” Veel ervaring had Langlo, een leraar die tien jaar geleden via een zomerbaantje de filmwereld binnenrolde, niet: hij maakte een documentaire over de hiphopgroep 99 Procent Normaal en werkte mee aan een serie over de Noorse onafhankelijkheid van 1905.

Wat dat is met Scandinaviërs en depressie? „Vrieskou, vier maanden geen zon, eenzaamheid: waarover moet je precies vrolijk zijn in Trondheim?”, riposteert Langlo. Zelf vond hij het isolement het ergste van zijn depressie. „Mijn opa was depressief, maar hij moest vis vangen en iedereen accepteerde dat hij treurig was. Nu zijn we rijk, hebben vrije tijd en gelukspillen. Ongelukkig zijn is niet acceptabel, dus je verstopt je. Een vriendin is naar Finland verhuisd omdat het daar nog wel mag: miserabel alleen aan de bar zitten.” Maar met depressie is hij klaar. Langlo’s tweede film draait om een andere Scandinavische deugd: razernij.