Grondlegger van het poldermodel

In de studeerkamer van Chris van Veen kwamen bonden en werkgevers begin jaren tachtig tot het veelgeprezen Akkoord van Wassenaar.

Oud-voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en voormalig minister van Onderwijs en Wetenschappen Chris van Veen is op 9 november op 86-jarige leeftijd overleden. Dit heeft werkgeversvereniging VNO-NCW gisteren bekendgemaakt.

Werkgeversvoorzitter Chris van Veen was – samen met de toenmalige vakbondsleider Wim Kok – de drijvende kracht achter het Akkoord van Wassenaar van 1982. Thuis bij voorzitter Chris van Veen kwamen de vakcentrales en werkgevers tot het historisch sociaal akkoord. Dit is het begin geweest van het herstel van de Nederlandse economie, die begin jaren tachtig in een diepe crisis verkeerde. Later, toen de Nederlandse economie koploper was in Europa, heeft het overleg tussen bedrijven, werknemers en overheid over het economisch beleid naam gemaakt als het ‘poldermodel’.

De Nederlandse overheid en de organisaties van werkgevers en werknemers – die vertegenwoordigd waren in de Stichting van de Arbeid – maakten afspraken over loonmatiging in ruil voor arbeidstijdverkorting. De loonmatiging had gunstige gevolgen voor de Nederlandse economie. De concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven verbeterde en de export steeg. De loonmatiging werd door de overheid gecompenseerd door een flinke lastenverlaging waardoor de koopkracht toch nog kon stijgen. De maatregelen stimuleerden bedrijven om meer mensen in dienst te nemen. Van Veen is altijd erg trots gebleven op het akkoord dat in zijn studeerkamer tot stand was gekomen.

Christiaan van Veen werd op 19 december 1922 geboren in Barneveld. Hij maakte carrière in de gemeentelijke politiek, waar hij opklom van ‘leerling-ambtenaar ter secretarie’ in de gemeente Den Bommel (1939-1940) tot gemeentesecretaris van Groningen (1964-1967). Naast zijn werk studeerde hij Nederlands recht aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Van Veen had een verheven opvatting over de rol van de overheid. In 1992 zei hij: „De overheid heeft een transcendent aspect, zij is Gods dienaresse.”

Van Veen kreeg landelijke bekendheid als staatssecretaris van Binnenlandse Zaken voor de CHU (de partij die later samen met ARP en KVP tot CDA zou fuseren) in het kabinet van De Jong (1967-1971). Na een korte periode als Tweede Kamerlid werd Van Veen minister van Onderwijs en Wetenschappen in de kabinetten-Biesheuvel I en II. Heftige protesten klonken tegen zijn bezuinigingen. De burger moest meer gaan betalen voor diensten van de overheid. Vooral de verhoging van het collegegeld voor universiteiten en hogescholen van 250 naar 1.000 gulden leidde tot veel ongenoegen.

Van 1974 tot 1984 was Van Veen de eerste fulltime voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen. „Hij was een voorzitter die VNO maatschappelijk en politiek op de kaart heeft gezet”, zegt oud-directeur Jos Jacobs. Door zijn ruime politieke ervaring had Van Veen een goed gevoel voor de maatschappelijke verhoudingen, herinnert Jacobs zich.

Begin jaren negentig wordt Van Veen door staatssecretaris Tineke Netelenbos gevraagd om onderzoek te doen naar het voorbereidend beroepsonderwijs. In het rapport ‘Recht doen aan verscheidenheid’ adviseert Van Veen om in het nieuw te vormen vmbo, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, vijf leerwegen in te voeren: een theoretische (de mavo), een beroepsgerichte, een gemengde, een individuele en een arbeidsmarktgerichte leerweg die in vier sectoren moeten worden aangeboden, namelijk techniek, dienstverlening, economie en landbouw. Netelenbos neemt dit advies in grote lijnen over.