FAO blijft zachtaardig voor rijke landen

De wereldgemeenschap is niet verantwoordelijk voor het oplossen van de honger in de derde wereld, dat zijn de ontwikkelingslanden zelf. Aldus de FAO-top.

De slotverklaring van de driedaagse voedseltop in Rome geeft aan waar de oorzaken liggen van het mondiale hongerprobleem, maar maakt tegelijk duidelijk waarom een oplossing ver weg is. Cruciale kwesties worden aangeraakt maar niet opgelost. Concrete jaartallen of bedragen worden niet genoemd.

Wereldwijd sterven elke minuut tien kinderen door honger, constateerde directeur-generaal Jacques Diouf van de Voedsel en Landbouworganisatie (FAO) van de VN. Het probleem is genoegzaam bekend. In 1996 besloot de wereldgemeenschap al om het toenmalige aantal hongerenden, 800 miljoen, tot 2015 te halveren tot 400. Nu zijn er ruim 1 miljard.

Het nieuwe mantra is dat regeringen zelf moeten zorgen voor voldoende voedsel voor hun eigen bevolking. „Regeringen in Afrika moeten zelf hun verantwoordelijkheid nemen”, zegt minister Verburg (Landbouw, CDA) bijvoorbeeld in de wandelgangen van de top, en dat principe is dan ook vastgelegd in de verklaring.

Maar er wordt niets gezegd over beleid van rijke landen – waarvan een groot aantal de FAO-top links liet liggen – dat deze voedselvoorziening mogelijk negatief beïnvloedt: speculatie met voedsel, gebruik van voedsel als brandstof of de zogeheten landgrab (grootschalige investeringen van rijke landen in landbouwgrond in arme landen). In al deze kwesties stelt de verklaring dat verdere studie nodig is naar de mogelijke effecten. „De verklaring is natuurlijk een compromis en maakt op zich de wereld niet beter”, zegt Verburg over deze zachtaardige behandeling van het beleid van rijke landen. „Daarvoor is nu een vertaling naar de praktijk nodig.”

Terug naar de praktijk in Afrikaanse landen die zelf de honger moeten aanpakken. Weinig hoop voor bijvoorbeeld hongerende Zimbabweanen gaf de toespraak van hun president, Robert Mugabe, gisteren op de top. Mugabe legde alle verantwoordelijkheid voor het zeer grote voedselprobleem van Zimbabwe bij externe factoren, zoals slecht weer en oneerlijk beleid, of zelfs strafmaatregelen van „machtige landen”.

Non-gouvernementele organisaties hebben dan ook weinig vertrouwen in de mate waarin regeringen in ontwikkelingslanden het belang van hun eigen, arme bevolking voorop willen of zelfs maar kunnen stellen. „Regeringen moeten met eigen plannen komen, zegt men hier”, zegt Flavio Valente, secretaris-generaal van het FoodFirst Information and Action Network, „maar veel regeringen hebben geen enkele interesse in het raadplegen van hun eigen kleine boeren”. Terwijl meer dan 1 miljard kleine boeren juist de ruggengraat vormen van de mondiale voedselproductie. De verklaring van deze top bezingt dan ook eindeloos de lof van de kleine boer en de noodzaak om hem te steunen.

Zelfs als regeringen wel voor hun eigen bevolking op willen komen, hebben ze vaak niet genoeg kennis en mankracht, zegt de Ugandese Margaret Nakato van de Katosi Women Development Trust, „terwijl ze wel onder verschrikkelijk grote druk staan van organisaties als de Wereldbank”. Juist de Wereldbank heeft arme landen jarenlang voorgeschreven om niet te investeren in landbouw – beleid dat inmiddels als een grote mislukking wordt gezien.

De ngo’s vrezen een mogelijk dictaat van rijke landen over het beleid dat moet worden gevoerd. Ngo’s willen invloed op het beleid dat internationaal gaat worden gevoerd ter bestrijding van honger, op de besteding van de miljarden die de G8 eerder dit jaar heeft toegezegd en op het Voedselzekerheidsfonds (CFS) dat de Wereldbank moet opzetten, zoals afgesproken op de G20 in december. Ngo’s vestigen hun hoop op het hervormde Comité voor Voedselzekerheid, waarin naast alle lidstaten en VN-organisaties ook ngo’s zetels krijgen toegewezen. „We willen in het CFS landen dwingen verantwoordelijkheid te nemen voor hun beleid”, zegt Chris Leather van hulporganisatie Oxfam.

Nederland steunt het optuigen van het CFS. Tijdens een onderhoud met Jacques Diouf heeft Verburg gisteravond positief gereageerd op diens vraag of Nederland wil helpen om de activiteiten van het CFS „op een hoger plan te brengen”. Omdat de onderhandelingen nog lopen, kan een woordvoerder van Verburg over de precieze invulling daarvan slechts suggereren dat het gaat om een centrale rol voor Nederland.

Het CFS zou zich ook moeten buigen over het eerder genoemde beleid van rijke landen zelf, dat invloed heeft op de voedselsituatie in arme landen, zegt Leather van Oxfam: „Kwesties als klimaatverandering, biobrandstoffen, speculatie of landgrab kunnen landen niet individueel oplossen.”