Europees 'driebanden' over topbaan

Op het slagveld rond een Europese topbenoeming rollen de Grote Drie stee-vast hun spierballen. Soms met de „minst onwelkome kandidaat” als winnaar.

Als Jan Peter Balkenende het níet wordt, heeft hij in elk geval een ding gemeen met Wim Kok, Ruud Lubbers, Jean-Luc Dehaene en Guy Verhofstadt: zij werden het eerder ook niet.

De baan waar het dit keer om draait – vaste voorzitter van de Europese Raad van regeringsleiders – is een andere, maar het slagveld eromheen vertoont grote gelijkenis met de wijze waarop de Europese Commissie aan haar voorzitters komt. Met als vast patronen: onenigheid over de koers en spierballen rollen tussen de ‘grote drie’ in Berlijn, Londen en Parijs.

In 2004 (25 EU-landen) schoven de Franse president Jacques Chirac en de Duitse bondskanselier Gerhard Schröder de Belgische liberale premier Guy Verhofstadt, naar voren om Romano Prodi op te volgen. Maar de grootste partij in het Europees Parlement, de EVP van christen-democraten en conservatieven, wilde een eigen kandidaat.

EVP-leiderer Wilfried Martens kreeg kreeg steun van voorzitter Angela Merkel van de Duitse christen-democraten, de Italiaanse premier Silvio Berlusconi en de Britse premier Tony Blair om de Britse Conservatief Chris Patten te kandideren. Geschikter dan Verhofstadt, meende Blair, die de Belg te federalistisch vond en niet vergeten was dat deze een jaar eerder bij het tegenkamp zat toen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië de oorlog in Irak begonnen.

Op een EVP-bijeenkomst zag Martens „de twijfels in de ogen van Barroso”, de premier van Portugal. „Ik vertrouwde hem toe: ‘Je moet goed weten dat we hier driebanden spelen. Het is perfect mogelijk dat de bal die in de richting gaat van Patten uiteindelijk in uw kamp zal terechtkomen’.”

Op de junitop in Brussel stemden drie regeringsleiders voor Patten, slechts elf voor Verhofstadt. „Een complete verrassing”, noteerde Verhofstadts diplomatiek adviseur Peter Moors. Dat ook de Polen en de Baltische staten ‘Mister Nice Guy’ niet moesten, stelde diep teleur.

Voor Warschau gaf de doorslag dat de Belg mordicus tegen enige verwijzing naar God in de Europese Grondwet was. Moors: „Verhofstadt wist niet wat hij hoorde. Dat God hem de toegang tot het Commissievoorzitterschap zou beletten, had hij nooit verwacht.”

Anderhalve week later werden de EU-leiders het eens over José Manuel Barroso, die ‘Irak’ wel had gesteund. ’s Avonds kreeg Martens de felicitaties van Merkel: „We mogen allebei gelukkig zijn omdat we geslaagd zijn in onze missie.”

Verhofstadt mocht dan in 2004 wellicht te gretig zijn geweest, te terughoudend is ook niet goed. Daarover weet de Nederlandse premier Wim Kok mee te praten (al deed hij dat tot nog toe niet).

Op 12 december 1998 had De Telegraaf een fraaie primeur: ‘Europa trekt aan Kok’, kopte de krant. „Als hij ja zegt”, aldus een diplomaat, „dan zou hij het voorzitterschap op een presenteerblaadje overhandigd krijgen.” Kok zei „geen belangstelling” te hebben.

De zaak kwam in maart 1999 in een stroomversnelling doordat Commissie-Santer vervroegd moest opstappen na beschuldigingen over wanbeheer en corruptie.

Voor de top (van toen 15 EU-landen) op 24 maart in Berlijn drongen Schröder en Blair opnieuw bij „hun favoriet” aan, maar Kok persisteerde. Hij had misschien gewild als Europa een klemmend beroep op hem had gedaan, zoals wel is verondersteld door Martens en PvdA’er Thijs Wöltgens. Maar zó zwaar wilde EU-voorzitter Schröder zijn voorkeur nu ook weer niet laten wegen. Graag of helemaal niet. Zo werd het Prodi, „de ideale persoon”, zei Schröder.

Zo snel als in 1999 had het ook vijf jaar eerder zullen gaan. De opvolging van „zwaargewicht” Jacques Delors gold als „een formaliteit” (Van Miert). De Franse president François Mitterrand en de Duitse bondskanselier Helmut Kohl waren het erover eens dat het Jean-Luc Dehaene, Belgisch premier, moest worden.

Zij rekenden buiten de Britten. Dehaene was „een overtuigd federalist” en „er op gespitst de Unie zo snel als hij kon in de richting te duwen die mij het minst aanstond”, aldus de Britse premier John Major in zijn autobiografie. Voor hem kwamen alleen de Britse eurocommissaris Leon Brittan en de Nederlander Ruud Lubbers – in die volgorde – in aanmerking.

Maar Kohl wilde Lubbers per se niet. De Nederlandse, net demissionaire, premier had bijna vijf jaar eerder kritiek geuit op de wijze waarop Kohl de Duitse hereniging had geregeld en dat zat de laatste nog steeds dwars.

Op de top (van toen 12 EU-landen) eind juni 1994 op Korfoe kreeg Dehaene na lang soebatten de steun van acht landen, Lubbers van drie (behalve Nederland, ook Italië en Spanje) en Brittan alleen van zijn thuisland.

De volgende ochtend switchten Italië en Spanje naar Dehaene. Daarop streek Lubbers de vlag, gevolgd door Brittan. Major: „Ruud Lubbers, zag ik, zat er met een pokerface bij, waarop zelfs geen trekje rond zijn mondhoeken verscheen. Hij zou een prima voorzitter zijn geweest.” Major verlangde nieuwe kandidaten.

„Ze hebben de rommel voor mijn deur gekieperd. Ik moet het nu maar zien op te lossen”, reageerde Kohl, die een week later EU-voorzitter zou worden. Hij kwam uit bij Jacques Santer, premier van Luxemburg. Toen Kohl zijn Britse collega polste over zijn vondst, aarzelde Major, maar hij besefte ook dat „een tweede Brits veto” niet te rechtvaardigen viel. Hij noemde Santer „de minst onwelkome beschikbare kandidaat”.

Voor dit artikel zijn gebruikt: ‘The autobiography’ (1999) van John Major, ‘Mijn jaren in Europa’ (2000) van Karel van Miert, ‘De Memoires’ (2006) van Wilfried Martens en ‘Mister Nice Guy’ (2009) van Peter Moord.