En de koonke fmilie

Broddelsprekers zeggen ‘tevisie’ in plaats van televisie. Vaak zijn ze onverstaanbaar.

Yvonne van Zaalen bracht de spraakafwijking in kaart.

Broddelen noemen logopedisten het: zo snel praten dat het soms onverstaanbaar wordt. „Vijf lettergrepen per seconde is het normale spreektempo”, zegt logopedist Yvonne van Zaalen-Op ’t Hof, „maar broddelaars halen wel tien tot twaalf lettergrepen per seconde.” Zij promoveert vandaag in Utrecht op deze vaak verwaarloosde afwijking. In het Engels heet het probleem cluttering (verstopt raken).

Als Van Zaalen broddelaars opnames van hun eigen stem laat horen, geloven die niet dat ze zo snel praten. „Ik word er regelmatig van beschuldigd dat ik hun stem met de computer zou hebben versneld. Ikzelf moet opnames soms wel drie keer terugluisteren om te horen wat er wordt gezegd en soms kom ik er nooit achter.”

Broddelen was lang het ondergeschoven kindje van de logopedie. Het komt vaker voor dan stotteren. Van Zaalen schat dat 2 à 3 procent van de bevolking broddelt, terwijl 1 procent stottert. Maar broddelen werd slecht begrepen doordat broddelaars redelijk presteren als ze voldoende tijd krijgen en zich goed voorbereiden. Bij een presentatie spreken ze juist duidelijker dan anders. Dit in tegenstelling tot stotteraars. Van Zaalen: „Daardoor lijkt het heel grillig en werd gedacht dat iemand normaal zijn best niet deed.”

Van Zaalen schreef behalve haar proefschrift ook (samen met Coen Winkelman) het boek Broddelen, een (on)begrepen stoornis voor logopedisten en leerkrachten. Van Zaalen: „Toen ik in 2006 begon, waren er veel smalende reacties. Nu zijn de cursussen niet meer aan te slepen. Het taboe is weg.”

Niet iedereen die te snel praat, is een broddelaar. Er zijn twee soorten broddelen. In het ene geval worden woorden vaak herhaald en gaat het formuleren moeilijk (ook schriftelijk). In het andere geval domineren fouten in woordstructuur en worden zinsdelen ineengeschoven. Deze vorm komt het vaakst voor en is het meest opvallend. Zo wordt verkeerde versnelling ‘versnelde verkering’, bibliotheek ‘bibetheek’ en televisie ‘tevisie’.

Licht broddelen komt veel vaker voor. Van Zaalen ziet bijvoorbeeld bij de Nederlandse premier Balkenende ook symptomen van een broddelaar. „Hij zegt ‘koonke fmilie’ in plaats van koninklijke familie en maakt herhaaldelijk fouten als hij moet improviseren. Maar met voorbereide teksten is hij prima te verstaan.”

De promovenda vergeleek onder andere de hersenactiviteit van broddelaars en stotteraars. De hersenen van iemand die broddelt draaien overuren tijdens het spreken, zo leek het. Van Zaalen: „Het zijn vaak erg onrustige, impulsieve mensen die slecht kunnen plannen. Als de juf kort na elkaar zegt ‘we gaan volgende week op schoolreisje’ en ‘neem morgen je rugzak mee’, dan staat een broddelaar de volgende dag met rugzak klaar om op schoolreisje te gaan.”

85 procent van de mensen die broddelen heeft een familielid met taal- of spraakproblemen. Vanaf een jaar of tien wordt de stoornis zichtbaar, daarvoor ligt het spreektempo nog te laag. Pubers praten het snelst, bij het ouder worden daalt het spreektempo weer. Hierdoor verminderen de problemen na de puberteit soms spontaan. Broddelen komt erg vaak voor in combinatie met stotteren (35-55 procent) en ook met dyslexie.

De broddeltherapie draait voornamelijk om bewustwording. Van Zaalen: „Broddelaars moeten leren om meer tijd te nemen om alle lettergrepen uit te spreken en om langere pauzes te nemen. Na een tijdje hebben ze door wanneer ze te snel spreken. Er valt veel te winnen, vaak blijven alleen wat problemen in complexe spreeksituaties over.”