De evolutie van de evolutietheorie

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: eerste misverstand over Darwins evolutietheorie.

Het leek bijna een zorgvuldig gepland eerbetoon aan Charles Darwin. Uitgerekend in het jaar dat het jubileum van zijn boek On the Origin of Species (1859) wordt gevierd, hebben archeologen een unieke vondst wereldkundig gemaakt. In Ethiopië werd een 4,4 miljoen jaar oud skelet opgegraven van een gemeenschappelijke voorouder van de mens – het oudste mensachtige fossiel dat tot nu toe is gevonden. Volgens wetenschappers leert de vondst dat onze familieboom verder terugreikt dan werd aangenomen: mensen blijken minder direct van chimpansees af te stammen.

Zo levert Darwins evolutietheorie 150 jaar na de eerste publicatie nog altijd nieuwe inzichten op. De invloedrijke Amerikaanse filosoof Daniel Dennett (1942) noemde de theorie niet voor niets „het beste idee dat iemand ooit gehad heeft”. Er is een geheel nieuw wetenschappelijk vakgebied uit voortgekomen en het heeft ons wereldbeeld radicaal veranderd. Uit peilingen is gebleken dat circa 70 procent van de Nederlanders tegenwoordig de evolutietheorie aanhangt – een percentage dat Darwin waarschijnlijk voor onmogelijk had gehouden toen hij zijn boek publiceerde. De bioloog hield zijn ideeën zelfs lange tijd voor zich, uit angst voor repercussies. Die angst bleek onnodig. Zijn theorie werd opvallend snel gemeengoed.

Toch is het publieke begrip ervan niet groot. Een aantal hardnekkige misverstanden doet er nog altijd de ronde over. Zo stelde bisschop Wim Eijk onlangs in het EO-programma Het Elfde Uur dat het evolutionaire mechanisme zou berusten op „toeval” – een van de meest gehoorde misvattingen over Darwins theorie. Ook impliceerde Eijk herhaaldelijk dat de evolutietheorie suggereert dat het leven ‘doelloos’ is – een teken dat de bisschop de essentie ervan niet heeft doorgrond.

Als persoonlijk eerbetoon aan het werk van Darwin wil ik daarom de komende drie weken besteden aan het, naar mijn beste vermogen, uit de wereld helpen van de vier grootste mispercepties van de evolutietheorie – waaronder de twee die ik net noemde. Dat vereist enige uitwijding, want hoewel de evolutietheorie relatief simpel is, zeker in vergelijking met de enorme impact die ze heeft gehad, zijn de conclusies die eruit voortvloeien veel gecompliceerder.

De eerste misvatting van belang heeft echter niet zoveel met de theorie zelf als wel met de voorgeschiedenis ervan te maken. Veel mensen denken dat Charles Darwin (1809-1882) de eerste was die op het idee van evolutie kwam. Dat is niet het geval. Darwin was de eerste die het mechanisme van natuurlijke selectie benoemde, maar sporen van evolutionair denken waren al te vinden bij de vroegste filosofen uit het Oude Griekenland. Sterker nog, het dominante wereldbeeld mocht destijds dan zeer religieus van aard zijn, het idee van een goddelijke ‘schepping’ was voor de opkomst van het christendom allerminst vanzelfsprekend.

Vijf eeuwen voor Christus werd er al druk gespeculeerd over de oorsprong van planten, dieren en mensen. Zo suggereerde de Griek Thales (ca. 624-546 v. Chr.) dat water de „primaire substantie” was waaruit alle levende wezens waren voortgekomen – een hypothese waarvoor toen nog weinig empirisch bewijs bestond, maar die niet eens heel vergezocht bleek. Water is een noodzakelijke voorwaarde voor het leven, zo weten we nu. Thales’ leerling Anaximander (ca. 610-546 v. Chr.) verwierp de stelling van zijn leermeester, maar was wel de eerste denker die dacht dat mensen afstamden van vissen – en ook dat bleek, weliswaar anders dan Anaximander dacht, te kloppen.

Bij de Oude Grieken vinden we dus al de kiem van het idee dat levende wezens gemeenschappelijke voorouders hebben, waaruit diverse soorten zouden zijn voortgekomen. Verdere ontwikkeling van dit idee kwam echter tot stilstand door de filosofie van Plato (427-347 v. Chr.). De Griekse wijsgeer introduceerde namelijk een manier van denken die de westerse traditie meer dan twintig eeuwen zou gaan domineren: het idealisme. Daarmee wordt niet bedoeld: de hoop op een betere wereld, zoals idealisten die koesteren. Nee, Platoons idealisme doelt op een onderscheid die Plato maakte tussen de realiteit zoals die aan ons ‘verschijnt’ en de realiteit zoals die ‘werkelijk is’.

Volgens Plato was de vergankelijke werkelijkheid op aarde namelijk slechts de weerspiegeling van een „transcendente wereld van pure en onveranderlijke vormen”. Anders gezegd: de essentie der dingen schuilde niet in de dingen zelf, maar in de „ideaaltypes” waarvan ze waren afgeleid. Zo zou een konijn slechts een afgeleide zijn van de vorm ‘konijnheid’ uit de transcendente wereld. Deze denkwijze – ook wel essentialisme genoemd – is later de grondslag geworden waarop het christendom de theorie van ‘creatie’ baseerde. Mensen, dieren, planten en de wereld zelf zouden zijn afgeleid van een ideaaltype in de geest van God.

Dit idealisme kreeg filosofische bijval van de Griek Aristoteles (384-322 v. Chr.), die als eerste denker aan alle dingen een doel toeschreef en er bovendien een hiërarchie in aanbracht, beter bekend als de ‘natuurlijke orde’ – met God bovenaan, gevolgd door de engelen, de mensen, de dieren en de planten. Gecombineerd met Plato’s transcendente wereld ontstond zo in het christendom het onderscheid tussen hemel en aarde en het idee dat het leven een bepaalde functie had, waar een plan (en dus een ‘planner’) aan ten grondslag moest liggen.

Op deze manier werd het denken in termen van evolutie eeuwenlang uitgesloten. De kerk propageerde dat de wereld in essentie onveranderlijk was en dat ze zich aan ons voordeed zoals ze altijd al was geweest. Dat de aarde mogelijkerwijs een geschiedenis had die veel verder strekte dan die van de mensheid zelf, en niet altijd zo was geweest als in de Bijbel beschreven stond, kwam lange tijd bij geen enkele geleerde op.

Het idee werd rond 1500 echter voor het eerst aan het wankelen gebracht door de ontdekking van het Amerikaanse continent, waar talloze planten en dieren werden gevonden die niet in de Bijbel werden genoemd – zoals lama’s, tomaten en tabak. Die ontdekking viel moeilijk te rijmen met een ‘statische’ wereld. In de filosofie kwam de grote ommekeer pas definitief toen de Franse denker René Descartes in de 17de eeuw de hypothese opstelde dat de aarde niet onveranderlijk, maar „ontwikkeld” was – ook wel het transformisme genoemd.

In zijn geschrift Principia philosophiae (1644) speculeerde Descartes dat de aarde voortgekomen was uit een afgekoelde planeet die voorheen „zoals de zon was” – en dat daarop de aarde openspleet en „de continenten en bergen zich vormden”. Dit betekende het begin van het einde van het Platoonse idealisme: de wereld moest over een langere periode van tijd zijn ontstaan en kon dus niet zijn afgeleid van pure ‘essenties’.

Descartes had echter nog geen goede verklaring voor de diversiteit in soorten organismen. Zijn theorie had vooral betrekking op de planeet zelf, niet op de bewoners ervan. De doorslag op dit gebied kwam ruim een eeuw later met de eerste rudimentaire maar niettemin coherente evolutietheorie van de Franse natuurwetenschapper Jean-Baptiste Lamarck (1744-1829).

Lamarck stelde, nog vóór Darwin, dat organismen zich ontwikkelden van simpele naar complexe wezens en dat de diversiteit in soorten kon worden verklaard aan de hand van de verschillen in omgeving waaraan ze zich aanpasten. De drijvende kracht achter dit proces betitelde hij als de bruikbaarheidshypothese. Organismen zouden verschillende vormen en eigenschappen ontwikkelen, afhankelijk van hoe goed die eigenschappen van pas kwamen in hun specifieke leefomstandigheid.

Deze hypothese zou als de voorloper van Darwins theorie van natuurlijke selectie kunnen worden beschouwd, alhoewel de essentie ervan wel anders is. Bij natuurlijke selectie spelen veel meer factoren dan alleen bruikbaarheid een rol. Voor Darwin draaide het ontstaan van verschillende soorten vooral om het vergroten van overlevingskansen – de survival of the fittest. In dat opzicht is een ‘bruikbare’ eigenschap niet afdoende: die moet ook een aanzienlijk voordeel op het natuurlijke strijdtoneel opleveren.

Vooral dat laatste inzicht maakt dat Darwin nu als geestesvader van de evolutietheorie wordt beschouwd. Natuurlijke selectie verklaart niet alleen het ontstaan van levende soorten uit gemeenschappelijke voorouders (en als je maar ver genoeg terug in de tijd gaat: uit één voorouder), maar geeft vooral ook een inzicht in de werking van de natuur die daarvoor nog niemand had gehad. Aan dat inzicht ging echter wel een lange filosofische geschiedenis vooraf. Zonder Anaximander, Descartes en Lamarck was Darwin waarschijnlijk nooit op het idee gekomen. Of, om het Darwiniaans te formuleren: ook de evolutietheorie kent haar eigen evolutie.

Volgende week: de misvatting dat evolutie slechts een ‘theorie’ en geen ‘feit’ is.