Zonder boetes blijft die CO2-uitstoot hoog

Energiebedrijven moeten worden gebonden aan een percentage groene stroom.

Nu blijven ze kolencentrales bouwen en hebben ze geen belang bij CO2-reductie.

Nederland gaat enkele nieuwe grote kolencentrales bouwen, terwijl dat voor de CO2-uitstoot zeer ongunstig is. Minister Cramer (Milieu, PvdA) uitte haar zorg al op de conferentie van de Club van Rome. En Stichting Natuur en Milieu wil de kolencentrales aan banden leggen.

Maar is dit ook mogelijk? Het probleem is dat de politiek niet in staat was om regels op te leggen aan de energiebedrijven om de bouw van nieuwe kolencentrales te voorkomen. Die voldoen immers aan alle regels. Ook zullen de energiebedrijven emissierechten kopen voor de CO2 die de nieuwe centrales uitstoten. En – in tegenstelling tot de overige industrie – ze zullen er ook voor betalen.

Deze regels zijn echter onvoldoende. De overheid heeft in de jaren negentig gekozen voor marktwerking. Ook de milieuregels werden aan de markt aangepast. Maar dat is niet goed gebeurd. Het CO2-plafond is niet laag genoeg gekozen. De energiebedrijven hebben daardoor onvoldoende belang bij duurzame energie gekregen.

De Europese Unie heeft afgesproken dat de CO2-uitstoot 20 procent lager moet zijn in 2020. De Nederlandse regering wil zelfs een verlaging van 30 procent. Dat lijkt veel, maar het CO2-plafond is een soort verlaagd plafon: het lijkt echt, maar er zit nog veel ruimte boven. Dit komt doordat de CO2-besparing ook in het buitenland behaald mag worden of doordat emissierechten in de voormalige Oostbloklanden mogen worden gekocht.

Deze landen hebben een overvloed aan verhandelbare rechten. Ondanks het feit dat hun industrie in de jaren negentig een vrije val doormaakte, kregen ze bij de lancering van het Europese emissiehandelsysteem (ETS) in 2005 ruimhartig rechten toebedeeld.

Naast de recessie zorgt ook de verplaatsing van industriële activiteiten door Europese bedrijven naar Azië ervoor dat de industrie en elektriciteitssector samen gemakkelijk onder het plafond blijven met hun emissies.

Hoe minister Cramer denkt die 30 procent minder CO2-uitstoot in 2020 te halen, is voor alle specialisten compleet onduidelijk. Ook denkt de politiek dat met subsidies over tien jaar eenderde deel van de elektriciteit uit wind, zon en biomassa zal bestaan. Maar dat is een illusie. Subsidies creëren geen belangen voor een andere, duurzame energievoorziening.

Het ziet er echt niet naar uit dat de energiebedrijven de komende jaren meer dan de helft van hun investeringen in wind en biomassa stoppen. Ze doen dat niet omdat de doelstelling van 35 procent duurzame elektriciteit bij de minister ligt en niet bij hen. Zij hebben er geen enkel belang bij. Integendeel, nieuwe investeringen in windenergie brengen de rentabiliteit van hun investeringen in gas- en kolencentrales in gevaar.

Terwijl het toch zo simpel is: als het CO2-plafond fors wordt verlaagd, zullen de energiebedrijven vanzelf andere beslissingen nemen. Daarom is een verplichting om 35 procent duurzame elektriciteit te leveren de enige manier om de duurzame markt van de grond te krijgen. Het Centraal Planbureau heeft onderzocht dat zo’n verplichting in Nederland goed uitvoerbaar is. Die verplichting kan de politiek morgen invoeren. Landen als België en Groot-Brittannië kennen die verplichting al. Er zijn dus geen EU-regels die dit verhinderen.

Als de boetes voor bedrijven maar hoog genoeg zijn, zullen energiebedrijven zoeken hoe ze die 35 procent duurzame elektriciteit tegen de laagste kosten kunnen maken of inkopen. Pas dan zal de marktwerking in lijn komen met de milieudoelen van de regering.

Frans Rooijers is directeur van het milieuadviesbureau CE Delft