Weekmakers van invloed op spel jongetjes

Jongetjes vertonen in hun spel minder ‘typisch mannelijk’ gedrag, zoals ruw stoeien en spelen met autootjes, naarmate hun moeders tijdens de zwangerschap een hogere concentratie ftalaten in hun urine hadden. Ftalaten zijn weekmakers die onder meer in veel plastics en cosmetica voorkomen. Er was al een verband aangetoond tussen ftalaten en de genitale ontwikkeling van jongetjes, maar een verband met gedrag (en dus met neurologische ontwikkeling) is nooit eerder aangetoond. Dit onderzoek verschijnt deze week in het International Journal of Andrology.

De eerste auteur van het artikel is Shanna Swan van de University of Rochester (New York). Zij toonde in 2005 als eerste aan dat ftalaten een zogenaamde anti-androgene werking hebben: ze verstoren de testosteronhuishouding. Op meisjes heeft dat geen aantoonbaar effect, maar op jongetjes wel. Swan meldde destijds een link tussen ftalaten en een abnormaal kleine afstand tussen anus en scrotum, een kleinere penis en scrotum en een grotere kans op het niet indalen van de testikels.

Mede door Swans eerdere onderzoek is de Europese wetgeving rond ftalaten aangepast. Ze zijn momenteel verboden in kinderspeelgoed en in kinderverzorgingsproducten waar kinderen op kunnen zuigen. Maar voor andere producten, zoals cosmetica, zijn er geen restricties.

In haar recente onderzoek betrok Swan 145 kinderen van 3 tot 6 jaar. Van hun moeders had zij tussen de zesde en de zevende zwangerschapsmaand urine verzameld om daarin de concentratie ftalaten te meten. De ouders vulden op verschillende tijdstippen vragenlijsten in over het speelgedrag van hun kind. De onderzoekers kenden aan het speelgedrag vervolgens een ‘mannelijkheidsscore’ toe, volgens een veelgebruikt model voor speelgedrag. Ze corrigeerden voor de houding van de ouders tegenover mannelijk dan wel vrouwelijk speelgedrag.

De onderzoekers verdeelden de moeders in categorieën op basis van de ftalaatconcentratie in hun urine tijdens de zwangerschap. Moeders van wie de ftalaatconcentratie in de laagste 10 procent viel, hadden zonen met gemiddeld mannelijk speelgedrag. Zonen van moeders in de hoogste 10 procent vertoonden een mannelijkheidsscore die 8 procent lager was; deze zonen hoorden allen bij de 30 procent die qua mannelijkheid het slechtst scoorden.