Tjitske en Lydia

Dichteres Tjitske Jansen kreeg de Anna Bijnsprijs voor een poëziebundel die geen poëzie, maar proza bevat, maar wat geeft het: verwarring moet er zijn. De bundel heet Koerikoeloem en telt vijftig pagina’s met ultrakorte prozafragmenten over haar niet altijd even gelukkig verlopen leven (vroeg uit huis, pleeggezinnen, ongelukkige liefdes). De stukjes zijn zeer wisselend van kwaliteit, zoals gebruikelijk bij dit genre.

Ik moest bij het lezen soms aan een andere schrijfster denken, ook van prozafragmenten: de Amerikaanse Lydia Davis. Zij is in Nederland nog onbekend, ook al publiceert ze al vanaf de jaren tachtig en wordt ze in eigen land geprezen door collega’s als Jonathan Franzen en Dave Eggers. Onlangs verscheen The Collected Stories of Lydia Davis, een pil van ruim 700 pagina’s met stukken die variëren van enkele regels tot tientallen pagina’s. De beste vond ik de wrange, verkapt autobiografische stukken over mislukkende en mislukte relaties en vrouwen die daarna hun draai niet meer kunnen vinden. Insiders herkenden haar beëindigde relatie met schrijver Paul Auster. De allerkortste stukjes zijn ook bij Davis wisselvallig: soms mooi, soms gekunsteld.

Lonely vond ik sterk: „Niemand belt me. Ik kan het antwoordapparaat niet afluisteren omdat ik hier de hele tijd ben geweest. Als ik eruit ga, zou iemand me kunnen bellen terwijl ik weg ben. Dan kan ik het antwoordapparaat afluisteren als ik terug ben.”

Ik citeer van beide schrijfsters enkele stukjes over het universele onderwerp ‘moeder’. Eerst twee van Tjitske Jansen.

„Er was het naast mijn moeder in de keuken staan. Ze prikte in het vlees en ze keek naar de pan. We zeiden niets en ik keek naar het vlees, door het raam en ook een beetje naar mijn moeder. Niet te veel, ze mocht het niet merken.”

„Er was mijn moeder die het vlees omdraaide. ‘Mama, ziet God mij altijd?’ Mijn moeder bleef naar de pan kijken. ‘Dacht je dat?’ zei ze tegen de pan. ‘Dacht je dat hij niets beters te doen heeft dan naar jou te kijken?’”

Nu The Mother van Lydia Davis.

„Het meisje schreef een verhaal. ‘Maar zou het niet veel beter zijn als je een roman schreef’, zei haar moeder. Het meisje bouwde een poppenhuis. ‘Maar zou het niet veel beter zijn als het een echt huis was’, zei haar moeder. Het meisje maakte een klein kussen voor haar vader. ‘Maar zou een deken niet praktischer zijn’, zei haar moeder. Het meisje groef een klein gat in de tuin. ‘Maar zou het niet veel beter zijn als je een groot gat groef’, zei haar moeder. Het meisje groef een groot gat en ging erin slapen. ‘Maar zou het niet veel beter zijn als je voor altijd sliep’, zei haar moeder.”

Moeilijke moeders bij Lydia en Tjitske. Lydia schreef overigens met mededogen in een ander stukje (Mothers): „Moeders eten goed als ze gasten aan tafel zijn, zoals kinderen, maar ze lijken afwezig. Vaak kunnen ze niet volgen wat wij doen of zeggen. Ook nemen zij vaak alleen aan het gesprek deel als het over onze jeugd gaat; of ze passen zich aan als aanpassing niet nodig is; ze lachen en worden verkeerd begrepen. En toch worden moeders altijd gezien, wordt er altijd met hen gepraat, al is het alleen maar op vakantie. Zij hebben voor ons geleden, en meestal op een plek waar we ze niet konden zien.”