Redding van de aarde moet nog even wachten

Zelfs als de klimaattop in Kopenhagen slaagt, zal het resultaat bescheiden zijn. Politici proberen het eens te worden over de inhoud van een akkoord, daarna begint het gevecht om een verdrag.

Nog maar kort geleden waren de wereldleiders het erover eens dat op de klimaatconferentie in Kopenhagen de aarde gered moest worden. Deze week is definitief besloten de reddingsactie nog even uit te stellen, nu ook de Amerikaanse president Barack Obama en zijn Chinese ambtgenoot Hu Jintao erkennen dat er ‘te weinig tijd’ is om alle meningsverschillen op te lossen. Door de ambities voor Kopenhagen naar beneden bij te stellen, is de kans op een mislukking een stuk kleiner geworden.

Dat betekent niet dat er in de Deense hoofdstad niets op het spel staat. Politici hebben een slimme formule bedacht: inhoud en vorm zijn gescheiden. Het doel van Kopenhagen is nog steeds om het eens te worden over de inhoud. Dan kunnen juristen zich volgend jaar in alle rust buigen over de vraag hoe die inhoud in een bindend verdrag wordt gegoten.

Een ‘politiek akkoord’, daar gaat het nu nog om. Yvo de Boer, de Nederlander die aan het hoofd staat van het klimaatbureau van de Verenigde Naties, zei zaterdag in een interview in deze krant dat de drie doelstellingen overeind blijven: afspraken over de reductie van broeikasgassen door geïndustrialiseerde landen, toezeggingen van arme landen om ook een (bescheiden) bijdrage te leveren en geld van de rijke landen om klimaatbeleid in ontwikkelingslanden mogelijk te maken. En dat alles in een soort akkoord dat onmiddellijk van kracht wordt.

Ook Obama zei gisteren tijdens zijn bezoek aan China, dat de VS in Kopenhagen geen genoegen nemen met vage politieke verklaringen. Er moet een akkoord worden gesloten dat „de wereld verenigt” en dat „onmiddellijk in werking treedt”. Amerika en China spelen, als de grootste consumenten en producenten van energie, volgens Obama een sleutelrol. Het zijn mooie bezweringsformules, maar ze bieden geen garantie voor succes in Kopenhagen.

Politici doen nu net alsof de juridische haken en ogen van een verdrag de belangrijkste hindernis vormen. De Nederlandse minister van Milieu Jacqueline Cramer zei onlangs op een bijeenkomst met journalisten zelfs dat de politici weliswaar doordrongen zijn van de noodzaak om actie te ondernemen, maar dat de onderhandelaars zich tijdens hun bijeenkomsten ingraven in juridische details.

De vraag is natuurlijk hoe dat komt. Onderhandelaars onderhandelen op basis van het mandaat dat ze van hun regering krijgen. De bereidheid van politieke leiders om zich in te zetten voor het klimaat, steekt soms bleek af bij hun goede bedoelingen.

Dat geldt ook voor Barack Obama. De opstelling van de VS in het klimaatdebat is sinds het vertrek van president Bush drastisch veranderd. Maar de speelruimte van de president is beperkt. De Senaat steggelt al maanden over een relatief bescheiden klimaatwet en in de Amerikaanse publieke opinie is de belangstelling voor de opwarming van de aarde tanende. De Amerikaanse milieuactivist Damon Moglen constateert dat Obama het in zijn toespraken alleen heeft over ‘groene banen’, maar dat hij nooit het woord klimaatverandering in de mond neemt. „De president doet niet wat hij wel heeft gedaan voor de gezondheidszorg: naar de bevolking toegaan en de problemen van klimaatverandering uitleggen, en van het Congres een op wetenschap gebaseerd beleid eisen dat aansluit bij de risico’s waarmee we geconfronteerd worden”, aldus Moglen.

Als Obama in Kopenhagen te grote beloftes doet, kan de Senaat de hakken in het zand te zetten en dreigt voor een nieuw klimaatverdrag in Amerika hetzelfde lot als destijds voor het Kyoto-protocol – in 1997 door de VS ondertekend, maar nooit aan de Senaat voorgelegd ter ratificatie omdat het toch niet zou worden aangenomen.

Obama wil daarom absoluut geen ‘Kyoto II’. Europa, dat het Kyoto-protocol wel uitvoert en aan de afspraken voldoet, is pragmatisch. Als Amerika zo kan worden overgehaald om mee te doen, is de EU bereid Kyoto op te offeren. Maar de ontwikkelingslanden zijn daar fel op tegen, al was het maar omdat in het Kyoto-protocol een strikte scheiding bestaat tussen rijke en arme landen. De eerste groep, de zogeheten Annex I landen, heeft harde verplichtingen, de rest hoeft niets te doen.

Wetenschappers zijn het er al lang over eens dat die scheiding op termijn onhoudbaar is. Om te voorkomen dat de gemiddelde temperatuur op aarde met meer dan 2 graden Celsius stijgt, moet de concentratie van broeikasgassen onder de 450 ppm (deeltjes per miljoen) blijven. En dat lukt nooit als de ontwikkelingslanden ongebreideld hun gang kunnen gaan.

Ontwikkelingslanden, die zich veel assertiever opstellen dan ten tijde van Kyoto, zullen echter alleen concessies doen, als de rijke landen daarvoor betalen. En ook daar liggen de standpunten nog ver uiteen. De EU is intern verdeeld over haar financiële bijdrage. De VS zijn altijd huiverig om zomaar geld te geven. En de rijke landen samen willen dat het geld beheerd wordt door bestaande instanties als IMF en Wereldbank. Ontwikkelingslanden vinden dat zij daarin te weinig te zeggen hebben en eisen daarom een nieuw, zelfstandig klimaatfonds.

Zelfs als Kopenhagen slaagt, zal het resultaat bescheiden zijn. Alle toezeggingen bij elkaar leveren ongeveer de helft op van wat nodig is (zie grafiek). Daar komt bij dat ‘wat nodig is’ volgens wetenschappers absoluut geen garantie biedt dat de temperatuur niet verder dan twee graden stijgt, maar hooguit een kans van vijftig procent. Welke politicus zou in een vliegtuig zou durven stappen als de kans vijftig procent is dat het ding neerstort?