Op dreef met schoonfamilie uit Taiwan

Wat doe je met potentiële schoonfamilie uit verre oorden? Versnaperingetje hier, salonboottochtje daar en maar hopen dat je elkaar uiteindelijk kan gaan begrijpen.

Mijn zoon is maar weinig in Nederland. Als filmmaker zoekt hij zijn onderwerpen in Aziatische landen, meestal in China of Taiwan. Behalve zijn interesse in de snelle ontwikkeling van die landen en zijn affiniteit met de Aziatische cinema, speelt daarbij ook zijn belangstelling voor Chinees vrouwelijk schoon een rol. Wij hebben al verschillende charmante Meibloesems en Hemelse Vreugdes mogen begroeten.

Maar nu is mijn zoon in Amsterdam en wel in gezelschap van zijn nieuwe Taiwanese vriendin. Ze zijn regelmatig bij ons, dus we halen wat huiselijke gezelligheid in. De vriendin vlindert door het huis, wil Hollandse pannenkoeken eten, helpt in de keuken en maakt op één avond minstens twintig foto’s. Ze blijkt zeer verknocht aan haar familie en dat de genegenheid wederzijds is, wordt duidelijk als ze al na twee weken meldt dat de hele familie, bestaande uit vader, moeder, zus en broer – oma blijft in Taipeh – haar in Amsterdam komt opzoeken. Ze willen natuurlijk wel eens zien waar ze met die lange, blonde snuiter terechtgekomen is.

Uiteraard dragen wij ons steentje bij aan de verwelkoming en zo staat op een mooie herfstavond de voltallige Taiwanese schoonfamilie buigend en lachend op de stoep. Binnengekomen trekken ze meteen hun schoenen uit en overhandigen ons cadeaus: exotische koekjes in kleurige dozen en een wandrol met een kunstig gekalligrafeerde tekst die voor ons vertaald wordt als ‘peace and wisdom in this house’. Dat komt goed uit, over peace hebben we niet zozeer te klagen, maar wat meer wisdom kunnen we best gebruiken.

De Taiwanese familie roemt en prijst alles in en om het huis. Ook wijzelf zijn buitengewoon knap, elegant, goed gekleed en beschikken over voortreffelijke karakters, dat is kennelijk meteen waarneembaar. Zelfs onze schonkige, ouwe kat Flip met zijn rommelige vacht wordt bij binnenkomst met zoveel loftuitingen onthaald dat hij helemaal confuus onder een kast schiet. Intussen is het aandoenlijk om te zien hoe de familie zich in bochten wringt om de ‘typically Dutch new herring’ die ons wel passend voor dit avondje leek, niet binnen te hoeven krijgen. Alleen mijn zoons vriendin stelt er een eer in te laten zien hoe zij de culinaire specialiteiten van het land al op prijs weet te stellen en eet in haar eentje een hele haring. De anderen storten zich opgelucht op de dolmades die we maar snel aandragen.

Om een stijf, opgeprikt etentje thuis of in een restaurant met de prille schoonfamilie te vermijden, hebben wij een aardige, oude salonboot met schipper gehuurd. Rondvaren door de grachten is de beste manier om Amsterdam te zien en op het water raakt iedereen ontspannen. Inderdaad, als we ingestapt en van wal gestoken zijn, is het alsof we elkaar al maanden kennen. Tijd om een slok wijn te nemen heeft de familie nauwelijks: ze moeten iedere gevel, brug en passerende boot fotograferen. Wanneer mijn zoon roept dat we nu door het red light district varen, grinnikt alleen zijn jonge zwager, de rest van de familie lijkt het niet te begrijpen. Keurige mensen, die voor het eerst van hun leven buiten Taiwan zijn. De vader wil weten hoe de riolering in de stad werkt en ik probeer dat uit te leggen, blij dat er niemand meeluistert die er wél verstand van heeft. Echt enthousiast wordt iedereen pas als we het IJ opvaren, waar een splinternieuw bakbeest van een cruiseschip ligt. Wat een prachtig schip!

Het is fris op het open water en in de intimiteit van de kajuit bijeen zittend wordt mij gevraagd of ik mijn zoon niet mis als hij telkens aan de andere kant van de wereld is. Hier raken ze een gevoelig punt, maar ik wil mij er met een grap afmaken en zeg stoer: „Nee, hoor!”. „Mijn moeder is keihard”, verklaart mijn zoon. Misschien is ironie in Taiwan minder gangbaar, want de familie kijkt me wat bevreemd aan. Op mijn beurt knipper ik met mijn ogen als de jeugdige broer even later een lofzang op zijn moeder afsteekt. Zij staat altijd vroeg op, werkt hard, zorgt voor iedereen, ziet erop toe dat hij goed studeert, is bij alles behulpzaam en nooit uit haar humeur. Het zusje onderstreept zijn woorden door de bezongene om de hals te vallen en aan alle kanten te kussen. De moeder giechelt en straalt. „And me?” roept de vader, waarop de dochter naar zijn kant vliegt en hem eveneens met knuffels overlaadt.

Ik kijk naar mijn zoon. „Ga jij nu ook zoiets over ons zeggen?”

Wie weet wat voor verrassende omgangsvormen hij onverhoeds in Taiwan heeft opgedaan. Maar hij zegt: „Ja, doei!” en trekt zijn geliefde mee de kajuit uit.

Na het vaartochtje zitten we met zijn allen aan de bar in een mooi bruin café. De moeder bestelt thee met melk, maar van zoveel deugdzaamheid heeft de barman niet terug. Ik zit naast de vader, die zichtbaar geniet van een getapt biertje, en beken hem: „I do miss my son. But he doesn’t seem to miss us.”

Hij knikt. „That’s good”, zegt hij. „That’s how it has to be. Parents miss their children. Children don’t miss their parents. When it’s the other way around, something is wrong.”

En kijk, daar verzeilen de Taiwanese vader en ik uiteindelijk in een heus gesprek tussen ouders.