Ook China heeft recht op industrialisatie

Het Westen wil dat China zijn groei beperkt, omdat het anders te veel CO2 zou uitstoten. Maar Chinezen gebruiken veel minder energie dan westerlingen, stelt Christine Loh.

De Chinese inspanningen om de klimaatverandering te bestrijden, worden in het Westen vaak niet gewaardeerd. De ontwikkelde landen willen dat China ‘meer’ doet, terwijl China vindt dat het doet zoveel het kan, en zelfs meer dan menig ander land.

China wijst op het verzuim van de ontwikkelde landen om direct zelf te voldoen aan hun verplichtingen tot emissiereductie uit hoofde van het Kyoto-protocol. Zonder hun toevlucht te nemen tot het kopen van emissierechten van ontwikkelingslanden en zonder het laaghangende fruit te plukken van de Oosteuropese economieën, die in 1990, de peildatum, nog geheel op steenkool draaiden en daarna vrijwel geheel zijn ingestort.

Maar dat willen de Europeanen en Amerikanen niet horen. Laat staan dat ze willen worden herinnerd aan het gegeven dat hun industrialisatie tot dusverre het merendeel van de broeikasgassen in de atmosfeer heeft gepompt. Ze beklemtonen liever dat de snelle Chinese groei het probleem vergroot en dat de westerse inspanningen van weinig betekenis zullen zijn als de Chinese uitstoot zijn huidige patroon blijft volgen.

Sinds 2007 heeft China ’s werelds grootste CO2-uitstoot, ook al verbruikt het per hoofd van de bevolking veel minder energie dan de Europeanen en Amerikanen. Maar de grootste vervuiler trekt uiteraard de aandacht. Dat weet ook China, maar het wil tijd om zijn basisinfrastructuur uit te bouwen voordat het zijn totale uitstoot moet verminderen.

Twee jaar geleden, op Bali, stemde de wereld in met een actieplan tot verdere terugdringing en aanpassing, dat zou worden ondersteund met voldoende financiële middelen en technologie-overdracht van de ontwikkelde landen naar de ontwikkelingslanden. In de aanloop naar de conferentie in Kopenhagen had dit plan inmiddels bekrachtigd moeten zijn. Maar dat is niet het geval. In plaats daarvan wijzen de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden druk naar elkaar. Het Westen blijft van China verlangen dat het ‘meer’ doet.

Sinds 2006 heeft China indrukwekkende programma’s ter bestrijding van het broeikaseffect opgezet. Als ontwikkelingsland dat nog werkt aan zijn energievoorziening, spoor- en wegennet, havens en vliegvelden, plus een industriële infrastructuur, kan China zich volgens zijn leiders niet vastleggen op een vermindering van de CO2-uitstoot die de komende jaren kan worden bereikt. Het heeft ruimte nodig om zijn ontwikkelingdoelen te verwezenlijken en een samenleving met een gemiddeld inkomen te worden. Daarom is het Chinese beleid om de energie-intensiteit – de uitstoot per eenheid BNP – te verminderen terwijl de totale CO2-uitstoot nog zal stijgen, maar in een aanzienlijke trager tempo.

Om onder het huidige vijfjarenplan, tussen 2006 en 2010, de energie-intensiteit met 20 procent terug te dringen, richt de overheid zich vooral op de industriële staatsbedrijven, omdat die tot medewerking kunnen worden gedwongen en de grootste energieverbruikers in het land zijn. Alleen al door een verlaging van de energie-intensiteit kan China in vijf jaar tijd 620 miljoen ton steenkool besparen, hetgeen gelijkstaat aan een vermindering van de CO2-uitstoot van 1,5 miljard ton. Volgens de afspraken van het Kyoto-protocol brengt de EU haar uitstoot tussen 1997 en 2012 met niet meer dan 300 miljoen ton terug. China doet het dan ook goed in vergelijking met de Europese inspanningen, ook al heeft het geen bindende reductiedoelstelling in het kader van het verdrag.

Andere maatregelen ten behoeve van een doelmatiger energieverbruik zijn onder meer nieuwe normen voor zuinige voertuigen, verbeterde bouwvoorschriften, investeringen in ultra-efficiënte klassieke steenkoolcentrales en nieuwe elektriciteitsnetten, herziening van energie- en brandstofprijzen, fiscale prikkels voor duurzame energie en innovatie op terreinen als hoogwaardige zonnepanelen, batterij-technologie, hybride voertuigen en CO2-opvang.

In het komende vijfjarenplan, van 2011-2015, stelt China een reeks doelen inzake de CO2-intensiteit in verhouding tot het BNP, waarbij niet alleen de energie-intensieve productie wordt verminderd maar ook de opwekking van energie wordt verhoogd die weinig tot geen CO2 oplevert. Ook zal de CO2-reductie door bosaanplant worden bevorderd. Zo zal bijvoorbeeld het aandeel van niet-fossiele brandstoffen in het primaire energieverbruik in China stijgen van 7 procent nu tot 15 procent in 2020. Honderden miljarden worden geïnvesteerd in wind- en zonne-energie, kleine waterkrachtcentrales, biobrandstof en kernenergie.

Ondanks deze inspanningen is het nog te vroeg om te zeggen wanneer de Chinese CO2-uitstoot zal pieken. De discussies onder de Chinese deskundigen wijzen op mogelijke piek omstreeks 2030-2035, als het land de kans heeft gehad om zijn infrastructuur uit te bouwen, waarna de uitstoot zou kunnen gaan dalen. Dit betekent voor China een adembenemend tempo. Toch zal de druk tot sneller ingrijpen blijven toenemen naarmate de totale uitstoot van broeikasgassen in China stijgt.

Eén bijdrage zou China wel kunnen leveren. Het kan de welvarendste delen van China al op korte termijn reductiedoelen laten stellen, omdat die rijkste gebieden – Hongkong, Sjanghai en Peking – wel meer kunnen doen. Deze steden hebben meer inwoners dan een aantal van de kleinere Europese landen. Zo is Hongkong met zijn 7 miljoen inwoners zeker zo ontwikkeld als Europa en heeft deze ‘speciale administratieve regio’ de middelen om al in 2011-2015 werk van emissiereductie te maken. De steden Sjanghai en Peking, met respectievelijk 18 en 17 miljoen inwoners, kunnen dan volgen vanaf 2015, want die hebben al een uitgebreide infrastructuur opgebouwd.

Christine Loh, Chinese, is de directeur van Civic Exchange, een onafhankelijke denktank in Hongkong die zich o.a. bezighoudt met het milieu. Ze werd uitgeroepen tot de zakenvrouw van het jaar in Hong Kong in 2006. Ze is oprichter van de Hong Kong Human Rights Monitor.