Nepdode gaf Praagse dissidenten vleugels

Tsjechië en Slowakije herdenken vandaag de Fluwelen Revolutie van 1989. Een ex-geheim agent zegt dat hij destijds degene was die het startschot gaf. Onbedoeld, dat wel.

De uitbater van hotel Het Kannetje is geen opvallende verschijning. Wollen trui, verweerde kop, stoppelbaard – zulke mannen lopen er meer rond in Karlova Studánka, een pittoresk kuuroord in het oosten van Tsjechië. Wat Ludvík Zifcák anders maakt is zijn rol in de Fluwelen Revolutie van 1989. Een hoofdrol – vindt hijzelf.

Vandaag herdenken Tsjechië en Slowakije die revolutie en het einde van het communisme. Op 17 november 1989, een week na de val van de Muur, liep een studentenprotest in Praag uit op een harde confrontatie met de politie. Er viel zelfs een dode. Althans dat leek zo, omdat een student bewegingloos op straat bleef liggen. De Tsjechoslowaken reageerden woedend, met demonstraties. Een week later trad de leiding van de Communistische Partij af. Eind december was Václav Havel president.

Die dode, bleek later, was nep. En hij was geen student, maar luitenant Ludvík Zifcák, een geheim agent die bij dissidenten was geïnfiltreerd. Nu manager van Het Kannetje, een gifgroen berghotel verstopt in een dikke mistbank. „Mijn vermeende dood”, zegt Zifcák tijdens een gesprek in de feestzaal van zijn hotel, „was een doelbewuste provocatie.”

Het relaas dat de geheime politie (StB) en niet het volk de aanzet gaf tot de val van het regime voelt niet lekker. Op het Wenceslasplein in Praag, waar dezer dagen grote informatieborden staan over 1989, wordt over Zifcák gezwegen. Dominee MilosRejchrt vindt dat belachelijk, maar snapt het wel. „Het verleden is altijd een reconstructie”, zegt de oud-dissident, die onder het communisme een preekverbod had en gedwongen was de kost te verdienen als stoker. „We horen liever een verhaal dat een beetje elegant is, ook als het niet waar is.”

En de heroïek in het vroegere Tsjechoslowakije is al zo dun gezaaid. Het verzet tegen nazisme en communisme was hier, anders dan in Polen, nooit groot. „De Polen drinken zich snel moed in, met wodka”, zegt Rejchrt. „Wij drinken bier. Dan duurt het langer.” Tsjechoslowakije (15 miljoen inwoners) telde „enkele honderden” dissidenten. Onder het mensenrechtenmanifest Charta 77 stonden uiteindelijk maar 1.200 handtekeningen.

Zifcák was al in 1988 losgelaten in de Praagse studentenwereld, onder de valse naam Milan Ruzicka. Ondanks de geringe steun voor dissidenten was het duidelijk dat de hervormingsgolf die door het Oostblok rolde vroeg of laat ook Tsjechoslowakije zou bereiken. En het regime zou zeker niet overleven met de starre Milos Jakes als partijleider. Een groepje hervormingsgezinde apparatsjiks besloot daarom tot een partijcoup: Zifcák zou tijdens een demonstratie ‘sterven’. De daaropvolgende volkswoede moest Jakes tot aftreden dwingen.

17 november was het zover. Zifcák liep voorop in de demonstratie. Tijdens de eerste charge liet hij zich vallen. Hij werd bedekt met een deken en, nadat de demonstratie uit elkaar was geslagen, in een ambulance afgevoerd. Honderden studenten raakten gewond tijdens de actie, sommigen zwaar.

De volgende dag bevestigde Drahomíra Drazská, een voormalige conciërge op de universiteit, tegenover dissidenten dat er een dodelijk slachtoffer was gevallen. Dissident Petr Uhl belde het nieuws door aan Reuters en via Radio Free Europe werd het de ether, ook de Tsjechoslowaakse, in gestuurd. „We hebben twee, drie keer naar haar verklaring geluisterd”, zegt Uhl, tegenwoordig commentator voor dagblad Právo. „Ze klonk geloofwaardig.” Wat Uhl toen niet wist was dat Drazská voor de StB werkte.

Want naast de aanval op Jakes had de operatie een tweede doel: de dissidenten in diskrediet brengen als leugenaars. Op zondag 19 november werd daartoe een interview uitgezonden met Martin Smíd, een argeloze wiskundestudent die een dag eerder nog door conciërge Drazská was geïdentificeerd als ‘de dode student’. Volgens Zifcák was van tevoren al besloten dat zijn eigen schuilnaam, Milan Ruzicka, niet zou worden gebruikt. „Om te voorkomen dat het spoor naar mij zou leiden.” Geheel volgens plan werden Uhl en andere dissidenten gearresteerd en zwartgemaakt. Maar intussen was het gerucht over de dode student een eigen leven gaan leiden – en dat hadden de coupplegers niet voorzien. Het regende opeens stakingen en demonstraties, het regime kraakte in zijn voegen.

Achteraf heeft Zifcák spijt van zijn actie. „Als ik toen had geweten wat de gevolgen zouden zijn had ik het nooit gedaan”, zegt de ex-agent, die nog steeds gelooft in de revolutionaire zaak die ook leiding geeft aan een communistische splinterpartij. „We wilden het systeem veranderen, niet omvergooien.” Maar hij kan het ook niet verkroppen dat dissidenten nu met de eer gaan strijken voor de Revolutie. „Wij gaven de aanzet.” „De dissidenten grepen de macht toen deze op de grond lag”, beaamt Rejchrt. „Maar we hebben niet het communisme laten vallen. Dat deed het communisme zelf. Het was ziek en uitgeput.”

Begin jaren negentig deed een parlementaire commissie onderzoek naar de gebeurtenissen van 1989. Die concludeerde dat de rol van Zifcák „marginaal” was geweest. De agent zou tijdens de demonstratie zijn flauwgevallen van de stress. „We hebben geen bewijs gevonden dat er iets broeide in het regime”, zegt Uhl, toen parlementariër. „Zifcák liegt en dat is niet zo raar: de StB blonk daarin uit.” Rejchrt is daar niet zo zeker van, al is het maar omdat Zifcák later tot achttien maanden celstraf werd veroordeeld (hij zat er negen uit), een forse straf voor een ‘marginale rol’. De dominee herinnert zich ook nog goed hoe de StB-agenten die dagelijks voor zijn deur postten, partijleider Jakes openlijk vervloekten. „Natuurlijk waren zulke jongens aartsleugenaar van beroep, maar het was duidelijk dat er spanningen waren.” Jakes beaamt dat in een recent interview.

Bovendien vindt Rejchrt dat de opzet van de coupplegers – overleven in een nieuwe wereldorde – best goed geslaagd is. Zowel Tsjechië en Slowakije hebben, precies twintig jaar later, oud-communisten als premier, respectievelijk Jan Fischer en Robert Fico. „En ze zijn nog behoorlijk populair ook.”