Nederland leest Oeroeg

‘Oeroeg was mijn vriend’, luidt de eerste zin van Oeroeg, de novelle van Hella S. Haasse die de afgelopen weken in bijna een miljoen exemplaren is verspreid. Een sterk begin, het nodigt onmiddellijk uit tot verder lezen. De verleden tijd betekent dat de vriendschap over is. Wat is er gebeurd: een ruzie? En waarover dan wel? Of erger: is Oeroeg dood? Niet zelden beginnen necrologieën met: Die of die wás mijn vriend.

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie. De teloorgang van de vriendschap tussen de Javaanse Oeroeg en de Nederlandse planterszoon Johan is algemeen menselijk, het verhaal is van alle tijden en culturen. Onmogelijke vriendschappen, evenals onmogelijke liefdes, zijn universele thema’s, denk maar aan Romeo en Julia. In de Indische koloniale samenleving is de vriendschap tussen Oeroeg en Johan alleen al onmogelijk wegens de verschillen in afkomst, stand, ras, geloof. De verwijdering is onvermijdelijk. Johan voelt aan dat hij in Oeroegs ogen dood is. De laatste woorden die zijn boezemvriend met wie hij, in zijn beleving als een tweelingbroer opgroeide, tot hem spreekt luiden: ‘Ga weg. Je hebt hier niets te maken’.

Dus de context is tóch van belang, Oeroeg staat niet alleen voor een Javaanse dessajongen, zoon van een bediende van Johans vader, maar voor een land. Johan is, evenals Hella Haasse, in dat land geboren en opgegroeid. Al zijn jeugdherinneringen zijn met dat land verbonden, het is zijn paradijs waaruit hij wordt verdreven. Niet alleen de vriendschap met Oeroeg komt ten einde, de band met wat hij als zijn thuis ervaart, wordt doorgeknipt.

Om meerdere redenen is Oeroeg een uitstekende keuze van de Stichting CPNB (Collectieve Propaganda voor het Nederlandse boek) die jaarlijks probeert heel Nederland aan het lezen en bespreken van één boek te krijgen. Het is in de eerste plaats een hommage aan de bijna 92-jarige Hella Haasse, die op 30-jarige leeftijd in haar debuut een persoonlijk doorleefde historische tragedie uitbeeldde. Heel haar schitterende oeuvre is geworteld in dit verhaal waarin ze niet alleen háár ambivalente verhouding tot haar land van herkomst beschrijft, maar óók die van Nederland tot zijn (voormalige) kolonie.

De keuze voor Oeroeg is tevens een hommage aan de rijke Indisch-Nederlandse romanliteratuur die 150 jaar geleden begon met Multatuli’s Max Havelaar en waarmee zoveel grote namen uit onze letterkunde verbonden zijn, Louis Couperus, P.A. Daum, E. du Perron, Maria Dermoût, om maar enkelen te noemen. En het Indisch-Nederlandse verleden werkt nog altijd door in de literatuur: neem schrijvers als Marion Bloem, Jeroen Brouwers, Adriaan van Dis, Yvonne Keuls, Rudy Kousbroek, Helga Ruebsamen. Maar het einde is in zicht.

Oeroeg heeft in de Indisch-Nederlandse literatuur een scharnierfunctie. Haasse is, net als bijvoorbeeld mijn vader, geboren en getogen in Nederlands-Indië, waar de Nederlanders op alle niveaus de baas speelden over de inlandse bevolking. Die koloniale machtsverhoudingen waren een gegeven in alle Indisch-Nederlandse romans die voor Oeroeg verschenen, ook als het onrecht ervan werd aangeklaagd of de duurzaamheid ervan betwijfeld. Toen Oeroeg in 1948 uitkwam, was het afgelopen met die machtsverhouding. Johan dacht nog in termen van ‘tijdelijke moeilijkheden’ toen hij bemerkte hoe Oeroeg radicaliseerde als vrijheidsstrijder en moslim. Hun verwijdering was echter even onomkeerbaar als die tussen de in 1945 uitgeroepen republiek Indonesia en het koloniale Nederland dat weigerde het wingewest los te laten.

De leus ‘Indië verloren, rampspoed geboren’ vertolkte de angst van vele Nederlanders voor de economische gevolgen van het verlies van wat altijd ‘ons Indië’ was genoemd. In twee bloedige oorlogen – Oeroeg verscheen precies tussen de beide ‘politionele acties’ in – vonden duizenden Nederlandse dienstplichtigen en tienduizenden Indonesiërs als Oeroeg de dood. De kabinetten die de politieke verantwoordelijkheid droegen voor de koloniale oorlogen, stonden onder leiding van de sociaal-democraat Willem Drees. Het kan geen kwaad daar even aan te herinneren nu de PvdA en de SP elkaar de eredienst van deze heilige vader van de AOW betwisten.

Nederland was tot op het bot verdeeld. De pijn is verwoord door Lucebert, in zijn ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’, geschreven aan de vooravond van de eerste politionele actie. In juli 1946 bleek uit een opiniepeiling dat bijna vijftig procent van de bevolking tegen het uitzenden van militairen naar Indië was. Tegenstanders verwezen naar de ervaringen in de Tweede Wereldoorlog om duidelijk te maken waar chauvinisme en racisme toe kunnen leiden. Maak van onze jongens geen SS’ers, waarschuwden zij.

Het is dus niet waar, zoals Bas Heijne zaterdag betoogde, dat dit soort vergelijkingen een uitvinding is uit de jaren zestig en zeventig. Wel duurde het tot die jaren voor Nederland erkende dat indertijd oorlogsmisdrijven zijn gepleegd. Dienstweigeraars die daaraan niet mee wilden doen, waren als deserteurs tot lange gevangenisstraffen veroordeeld.

Is dit allemaal bekende kost? In bibliotheken waar de afgelopen weken Oeroeg onderwerp was van lezersdiscussies, zette men grote ogen op als ter sprake kwam hoe pijnlijk de breuk met het koloniale tijdperk is verlopen. Die breuk betekende voor veel Nederlanders een persoonlijke tragedie, denk maar aan de veteranen, de mensen die uit de Jappenkampen waren gekomen en al diegenen die, zoals Johan, hun jeugd en hun toekomstverwachtingen moesten begraven.

Volgende maand precies zestig jaar geleden, op 27 december 1949, droeg Nederland tegen wil en dank en onder zware druk van de Verenigde Naties, de soevereiniteit over Indonesië over aan de republiek. Misschien is het wel de beschaafdste manier om deze gebeurtenis te herdenken, dat Nederland in de winter van 2009 massaal Oeroeg (her)leest.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/etty (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)