Mooi die EU-missies

Deze week wordt de nieuwe Europese minister van Buitenlandse Zaken bekend.

Een van zijn taken wordt structuur aanbrengen in de buitenlandse EU-missies.

De civiele en militaire operaties van de EU, zoals die in Kosovo waar zondag gemeenteraadsverkiezingen werden gehouden, zijn redelijk succesvol, zeggen twee buitenlandse deskundigen. Ook al zijn ze beperkt in aantal en omvang. Beide experts verschillen echter van mening over het strategische nut ervan.

„Praktisch klopt het meestal wel, maar ik kan er weinig strategie achter ontdekken”, zegt Sven Biscop, werkzaam bij het Belgische Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen. „Waarom doen ze het?”

„Neem de militaire actie in Tsjaad”, zegt hij. „Die is goed verlopen, zeker. Maar waarom zat de EU niet ook in Darfur, of in Zimbabwe? Ik denk dat de operaties vaker zijn ingegeven door de wens om te laten zien dat ze het kunnen, en dat er niet zo wordt gekeken naar het effect op de landen zelf.”

Jean-Dominique Giuliani, president van de Robert Schuman stichting in Parijs, is het daar niet mee eens. „Het zijn geen missies voor de bühne. Ik heb gewerkt met Britse en Franse militairen, en dan merk je meteen dat er iets van een Europese mentaliteit zichtbaar wordt in hun optreden. Vergeleken met NAVO-missies en operaties van de Verenigde Naties hebben Europese missies vrijwel altijd een plus. Zo is er bijna altijd meer aandacht voor zaken als gezondheidshulp en wederopbouw.”

De EU heeft de afgelopen jaren een aantal civiele en militaire missies uitgevoerd. De grootste en duurste daarvan was in Kosovo, waar de EU helpt met wegenbouw, onderwijs, bestuur, rechtspraak en verzoeningsprojecten tussen Kosovo-Albanezen en Kosovo-Serviërs. Deze missie maakte onder andere de gemeenteraadsverkiezingen van zondag mogelijk.

Andere civiele missies, bijvoorbeeld assistentie van politie, justitie of douane, waren er in Afghanistan, Irak, Congo, Bosnië, Georgië, Guinee-Bissau, Moldavië en de Palestijnse gebieden. De bekendste militaire missies zijn de lopende missie in Bosnië en de marinepatrouilles voor de kust van Somalië.

Biscop ziet vooral meerwaarde in de civiele missies. „De EU is daarvoor beter ingericht dan de NAVO en ook meer geneigd naar de lange termijn te kijken. Maar het struikelblok is de hoeveelheid mensen. Het aantal uitzendbare politieagenten en rechters is beperkt.’’

EU-landen hebben beloofd nog dit jaar met een ‘nationale strategie voor civiel crisisbeheer’ te komen. Dan moet duidelijk worden hoeveel zij willen bijdragen aan civiele missies.

Volgens Giuliani in Parijs zou het een vergissing zijn als Europa zich zou concentreren op civiele missies. „Dat zou suggereren dat Europese militairen niet zelfstandig kunnen vechten, en dat kunnen ze wel. We kunnen niet volstaan met een civiele verdediging. Nu de VS zich wat afkeren van Europa, moeten we zelf meer bijdragen aan de verdediging ervan. Ik realiseer me dat de publieke opinie niet klaar is voor een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid, maar toch ligt daar de toekomst.”

Frankrijk zou daarbij volgens hem een voortrekkersrol kunnen spelen. „Ik denk dat het gaat zoals met de monetaire integratie. Stapje voor stapje. Wie had tien jaar geleden durven voorspellen dat de Duitse marine zou patrouilleren in de Golf?”

Beiden onderstrepen dat het een uitgelezen moment is om de prioriteiten te herijken. Waarschijnlijk wordt donderdag de naam bekend van de nieuwe Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlands Beleid, zeg maar de nieuwe Europese minister van Buitenlandse Zaken. En het Verdrag van Lissabon, dat op 1 december van kracht wordt, voorziet ook in „permanente structurele samenwerking’’ van lidstaten, als een voorbode van Europees defensiebeleid.

„Het is voor het eerst dat een dergelijke mogelijkheid officieel bestaat”, zegt Biscop. Hij wijst erop dat dit concept nog concreet moet worden ingevuld, en verwacht dat dit gebeurt onder het Belgische voorzitterschap, in de tweede helft van het volgende jaar. „Het wordt dan makkelijker om met een kleine groep landen in actie te komen namens de EU”, zegt Giuliani.

Biscop vindt wel dat de EU eerst een stap terug moet doen om na te denken over haar eigen positie. Hij noemt alvast een paar thema’s. De terreinafbakening tussen NAVO en EU als gaat om buitenlandse politiek. In hoeverre de EU wil deelnemen aan het VN-systeem voor veiligheid. Afrika – „landen als Frankrijk, België en Portugal zijn daar veel meer in geïnteresseerd dan bijvoorbeeld Duitsland”.

Maar de grootste vraagtekens liggen volgens Biscop in het oosten. Over de relatie met Rusland wordt in veel Europese hoofdsteden nog verschillend gedacht. „De lidstaten moeten het eens worden over de vraag hoe zij omgaan met Rusland, en gekoppeld daaraan welke rol de EU wil spelen in de Oost-Europese landen die nu nog geen lid zijn.”