'Landroof' blijft vrijwel onbesproken op FAO-top

Het op grote schaal leasen van landbouwgrond in ontwikkelingsgebieden aan rijkere landen, draagt bij aan de honger in de wereld. Maar de voedseltop in Rome doet er niets aan.

Een klein groepje boeren uit derdewereldlanden als Indonesië, Colombia en Madagascar staat met spandoeken wat verloren naast de ruïnes van het Circus Maximus in Rome. Over een brede boulevard kijken ze uit op het hoofdkwartier van de Voedsel en Landbouworganisatie (FAO) van de VN, waar de wereldgemeenschap zich sinds gisteren buigt over het probleem dat 1 miljard mensen permanent honger lijden. Tussen de demonstranten en de FAO ligt een niemandsland, bewaakt door de politie. Begeleid door motoragenten komt een limousine langs met kenteken SCV1: Stato della Città del Vaticano 1. Ook de paus is erbij.

Het groepje arme boeren protesteert tegen de zogeheten landgrab – de hausse aan investeringen van bedrijven en overheden uit rijke landen in landbouwgrond in arme landen, waardoor kleine boeren hun grond verliezen. Het zijn namelijk geen investeringen om boeren in arme landen te helpen, maar om de bevolking in thuislanden als Saoedi-Arabië of Zuid-Korea te voeden of om simpelweg winst te maken bij een op de lange termijn structureel toenemende vraag naar voedsel en biobrandstoffen. De FAO schat dat het gaat om zo’n 20 miljoen hectare, al is dit nattevingerwerk. Ter vergelijking: Nederland telt ruim 2 miljoen hectare landbouwgrond.

De paus veroordeelde gisteren in zijn toespraak voor de FAO de handel in voedsel als „willekeurige handelswaar” en de benadering van voedselproductie vanuit „hebzucht”. „Het is noodzakelijk lokale gemeenschappen te betrekken bij keuzes en besluiten die het gebruik van landbouwgrond aangaan”, stelt de paus. Maar de paus bepaalt het beleid van de internationale gemeenschap niet.

Er staat geen woord over deze ‘landroof’ in de verklaring die tijdens deze top is aangenomen. Er is slechts een verdekte verwijzing naar de problematiek in de zinsnede dat er „overeenstemming” is om „verder te gaan met de studie naar principes en goede praktijken voor de bevordering van verantwoordelijke internationale landbouwinvesteringen”.

„Neo-koloniaal”, noemt de Indonesische boerenleider Mugi Ramanu de recente ontwikkelingen. „In de koloniale tijd verloren wij grond aan plantages voor cash-crops als rubber en koffie. Nu koopt de Saoedische familie Bin Laden grond om rijst te produceren voor de Saoediërs.”

De FAO erkent dat lokale belangen bij dergelijke investeringen het onderspit kunnen delven. „Er zijn contracten”, zegt David Hallam, plaatsvervangend directeur van de afdeling handel en markten van de FAO, „waarin nauwelijks rekening wordt gehouden met de belangen van de lokale bevolking of de voedselvoorziening van het land waar de investeringen plaats hebben. Nationale wetgeving is vaak niet sterk genoeg om een tegenwicht te bieden.”

De internationale gemeenschap zit echter in een spagaat. Er moet meer worden geïnvesteerd in de landbouw in ontwikkelingslanden en niemand wil private bedrijven expliciet ontmoedigen. Maar de bevolking van ontwikkelingslanden zit niet te wachten op investeringen die neerkomen op het leasen van gigantische hoeveelheden landbouwgrond voor eigen gebruik, zoals het Zuid-Koreaanse bedrijf Daewoo wilde doen met de helft van de landbouwgrond in Madagascar. De investering werd afgeblazen nadat een storm van protest opstak.

Er moet aandacht komen voor lokale gemeenschappen, zeggen verschillende vertegenwoordigers van multilaterale organisaties, er moet een „win-winsituatie” voor alle partijen komen. Maar het grote probleem is dat de stem van lokale gemeenschappen makkelijk teloor gaat in de concurrentie met rijke investeerders en nationale overheden. Een boerenleider als Mugi Ramani houdt niet voor niets ver weg van het FAO-pand zijn verhaal. Hij spreekt niet voor de vergadering van de verzamelde internationale gemeenschap.

Er wordt gewerkt aan een gedragscode, maar dat gaat moeizaam omdat die op basis is van vrijwilligheid. Landen zijn uiteindelijk vrij om hun eigen bevolking te negeren als ze contracten met buitenlandse bedrijven afsluiten. Er is een risico, zegt VN-rapporteur Olivier De Schutter, dat landen concessies aan investeerders gaan doen om maar zoveel mogelijk investeringen aan te trekken.

Lees eerdere artikelen op nrc.nl/voedselprijzen