Klimaattop en daarna

Drie weken voor het begin van de klimaatconferentie in Kopenhagen hebben de belangrijkste deelnemers het verwachtingspatroon drastisch getemperd. Er zal in de Deense hoofdstad geen gebrek zijn aan goede bedoelingen om de koolstofdioxide-uitstoot komende decennia terug te dringen. Maar die intenties zullen daar niet uit en te na in een alomvattende verdragstekst worden vastgelegd.

Dit ontnuchterende nieuws kwam afgelopen weekeinde uit Singapore, waar de regeringsleiders van de Asia-Pacific Economic Cooperation bijeenwaren. President Obama van de Verenigde Staten heeft er, na beraad met onder anderen zijn ambtgenoten Hu uit China en Medvedev uit Rusland, geconcludeerd dat een bindend akkoord onhaalbaar is.

Dat is geen verrassing. Daarop vooruitlopend sprak het hoofd van het klimaatbureau van de Verenigde Naties, de Nederlander De Boer, zaterdag in NRC Handelsblad dan ook de hoop uit dat een algemeen akkoord in Kopenhagen binnen een half jaar kan worden omgezet in een juridisch doortimmerd verdrag.

Deze stap terug van Obama is pijnlijk. Ook voor hemzelf. Anders dan zijn voorganger Bush, die geen heil zag in mondiale klimaatbeheersing mede omdat hij sceptisch was over de urgentie van de opwarming van de aarde heeft Obama zich verbonden aan de noodzaak tot actie. Maar ook hij heeft nu moeten inzien dat het verschil tussen zeggen en doen groter is dan verondersteld.

Dat inzicht is hem niet alleen opgedrongen door de Senaat, die geen haast maakt om een eerder door het Huis van Afgevaardigden nipt aanvaarde reductiewet in behandeling te nemen. Het Amerikaanse leiderschap is ook niet sterk genoeg om andere naties over de streep te trekken.

En dat moet wel. Zonder medewerking van opkomende grootmachten als China, India en Brazilië kan geen sprake zijn van een mondiaal beleid. De Nederlandse uitdrukking ‘verbeter de wereld, begin bij jezelf’ heeft in de wereld geen reële betekenis.

Dat wil niet zeggen dat deze nieuwe industriemachten moeten worden afgeschreven. Vooral China en India maken zich er al niet meer van af met het argument dat ze pas aan reductie gaan doen als hun welvaart het Amerikaanse of Europese peil heeft bereikt. Ze willen echter wel gelijk oversteken. Dat geldt nog meer voor de echte ontwikkelingslanden.

Deze werkelijkheid moet onder ogen worden gezien. Het is niet anders. Dat hoeft geen ramp te zijn. Op een akkoord dat op papier bindend lijkt maar het in de praktijk niet is, zit sowieso niemand te wachten. Het lot dat het Kyoto-protocol uit 1997 trof, verdient geen vervolg. Maar dat betekent niet dat er in Kopenhagen maar helemaal geen nieuwe initiatieven hoeven te worden ontplooid.

Europa kan er het voortouw nemen en de top aangrijpen om de rest van de wereld voor het blok te zetten: met een plan dat de andere landen dwingt tot reactie. Want het slechtste zou zijn als er straks in Kopenhagen een klimaat ontstaat dat iedereen op iedereen gaat zitten wachten.