Klavierstier Prats zwiert met allure

Klassiek Jorge Luis Prats, piano. Gehoord: 15/11, Concertgebouw, Amsterdam.****

Hij daalt de rode trap af als een mollige pinguïn, aait de mooiste bloem uit het sierboeket op het podium, knikt goedmoedig naar de overvolle zaal en waggelt naar de vleugel. Maar zodra hij de eerste noten van Beethovens Sonate nr. 28 in A, op. 101 aanslaat, verandert de Cubaanse pianist Jorge Louis Prats (1956), die in 1977 het fameuze Marguerite Long-Jacques Thibaud Concours won en daarna zijn pianistische kwaliteiten koesterde tussen de suikerrietplantages, in een woeste stier.

Nerveus en onwennig maar boordevol strijdlust en testosteron, bestormt hij Beethovens complexe notenmateriaal, maar zijn vulkanische temperament laat zich nog niet in banen te leiden en zijn kleine handen slaan er vaak naast.

Deel voor deel krijgt Prats meer greep op zichzelf én Beethoven. Pas als hij bij Schuberts Wandererfantasie is aangeland, ontstaat er evenwicht. Zo masculien en aards wordt Schubert zelden uitgevoerd. De bleke jongeling die wankelt tussen licht en donker, manifesteert zich met orkestrale allure als strijdlustige held.

Na de pauze verrast Prats opnieuw, door in drie delen uit Iberia van Albéniz plotseling ook zijn vrouwelijke kanten te etaleren. Verdwenen zijn de misslagen, ineens loopt alles als een turbotrein die elegant over de bergen en dalen van Andalusië zoeft.

Drie walsen van Schuberts en Liszt zwieren sensueel en overmoedig – maar steeds met behoud van technische controle. Virtuoze hoogtes volgen in de Arabesken über Themen des Walzers ‘An der schönen blauen Donau’ van Schulz-Evler, waarna Prats zijn spectaculaire Cubaanse encores besluit met ontwapenende liefdeskreten in Isoldes Liebestod van Wagner/Liszt.