Jan Hovers krijgt na tien jaar alsnog zijn zin

Océ werd tien jaar geleden al vergeleken met Fokker. Er mocht niet nog zo’n mooi bedrijf in buitenlandse handen vallen. Gisteren gaf Océ de strijd om zijn zelfstandigheid alsnog op.

We zijn doorgestoten naar de wereldtop. Toenmalig topman Harry Pennings van Océ kon het halverwege de jaren negentig niet vaak genoeg benadrukken. Als kroon op zijn achtjarige bestuursvoorzitterschap had hij in 1996 de printerdivisie van Siemens Nixdorf overgenomen. Voor 900 miljoen gulden (407 miljoen euro). Océ, producent van grote kopieermachines, werd daardoor ook actief in de opkomende printermarkt. Een mooie toekomst was weggelegd voor het bedrijf uit Venlo, dat de concurrentie kon aangaan met internationale grootmachten als Canon, IBM, HP en Xerox.

Drie jaar later, na veertien maanden in functie te zijn geweest, moest zijn opvolger Jan Hovers vertrekken. Het concern heeft nooit verteld waarom. Maar Hovers wilde te snel het Océ van Pennings reorganiseren, nadat hij adviseurs van Andersen en McKinsey het bedrijf had laten doorlichten. Océ leek de digitale toekomst te missen. De cijfers vielen tegen.

Maar vooral : Hovers wilde volgens ingewijden destijds Océ laten samengaan met een grotere partner, waardoor het hoofdkantoor uit Venlo zou kunnen verdwijnen. Océ miste schaalgrootte om tussen de veel grotere concurrenten te overleven, was de conclusie van Hovers en zijn adviseurs. Maar de commissarissen vonden dat hij een stap te ver ging.

Tien jaar later is het toch zover. Océ wordt overgenomen door de Japanse gigant Canon. De reden: Océ mist de schaalgrootte om de internationale concurrentieslag aan te kunnen, zei de huidige topman Rokus van Iperen gisteren. De industriële trots van Noord-Limburg wordt een divisie van een Japans bedrijf dat tien keer zo groot is in omzet en bijna acht keer zoveel werknemers heeft.

Van Iperen, die in september 1999 Hovers opvolgde, heeft er alles aan gedaan om de slag met de grote jongens vol te houden. Analisten vreesden al rond 2000, toen het bedrijf beleggers een aantal keren met winstwaarschuwingen had verrast, dat Océ wel eens het „Fokker van de kopieerapparatenfabrikanten” kon worden.

Maar Van Iperen leerde van de industriële slachtoffers Fokker en DAF van de jaren negentig. Zo bouwde hij de grote leaseportefeuille af, die in goede tijden veel geld opleverde, maar ook grote risico’s met zich meebracht. Bij DAF en Fokker hadden die sterk bijgedragen aan de faillissementen.

Hij liet om de winst op peil te houden duizenden banen uit Noord-Limburg verdwijnen. Door het stoppen van activiteiten, zoals de productie van eenvoudige printers voor op kantoor. Van Iperen vond dat Océ te klein was om in die markt een rol van betekenis te spelen. Door het verplaatsen van productie naar lagelonenlanden, waar hij in 2003 mee begon: Oost-Europa, Maleisië en China. Daar liet hij de productie uitvoeren door gespecialiseerde productiebedrijven. Océ zelf werd minder fabrikant.

Het vertrek van een belangrijk deel van de assemblage uit Venlo had niet alleen gevolgen voor Océwerknemers, maar ook voor de toeleveranciers in Limburg en Noord-Brabant, die alle onderdelen leverden. Zij moesten ofwel hun belangrijke opdrachtgever volgen of stoppen met deze activiteiten. Slechts een klein deel verhuisde mee. Veel toeleveranciers waren daarvoor al afgehaakt. Ze konden niet de door Océ geëiste kwaliteit leveren, merkte van Iperen in een vraaggesprek met deze krant in 2007 op.

Daarmee hield het zogeheten industriecluster op te bestaan. Pijnlijk, want in de jaren negentig was Océ nog een schoolvoorbeeld van het clusterbeleid dat het ministerie van Economische Zaken destijds propageerde. Océ was het grote innovatieve bedrijf dat werkgelegenheid bij kleine bedrijfjes in de regio creëerde en onderzoek bij instituten stimuleerde.

Van Iperen ging zelf ook op overnamepad. In 2005 kocht Océ de Amerikaanse distributeur Imagistics. De nieuwe trend in de industrie was dat fabrikanten de verkoop van hun apparaten aan de eindgebruikers in eigen handen namen. Océ deed mee en besteedde er 570 miljoen euro aan. Net als Imagistics in de VS ging Océ in Europa eenvoudigere kopieermachines verkopen van concurrent Kyocera Minolta. Zelf hield Océ op het maken van deze apparaten.

Océ werd een nichespeler. In printers voor tekenkamers en machines die hoge volumes van bijvoorbeeld bankafschriften kunnen draaien. En als softwarebedrijf dat de digitale documentenstromen van klanten helpt beheren. Een goede nichespeler haalt vaak hogere marges dan de producenten voor de massamarkt. En die kijken, als ze diepe zakken hebben, daar met interesse naar.

Daarom is het logisch dat Canon toehapte toen de Japanse zakenbank Mizuho in maart dit jaar voorstelde om Océ over te nemen. In augustus ingehuurde adviseurs van McKinsey waren weer tot dezelfde conclusie gekomen als tien jaar eerder, toen hun gevraagd werd om alle strategische opties te onderzoeken: Océ is te klein.

Canon biedt een forse premie op de beurskoers: 70 procent ten opzichte van de slotkoers van afgelopen vrijdag. Daarvoor krijgen de Japanners een onderzoeks- en ontwikkelorganisatie, een groot verkoopapparaat en slechts een paar fabrieken in Nederland, Duitsland en Canada. Maar in de tien jaar dat Van Iperen Océ verbouwde, is de waarde van het bedrijf flink gedaald. Stel dat Hovers zijn deal met een grote buitenlandse partij had mogen maken. Het bedrijf was op de dag van zijn vertrek rond de 1,4 miljard waard. Bijna twee keer zoveel als de 730 miljoen euro die Canon nu wil betalen.