Het gaat op Zuid zo on-Rotterdams

Rotterdam-Zuid lijkt ten dode opgeschreven. Het staat synoniem voor ‘problemen’. „We moeten nu echt in de doe-stand komen, anders blijft het geouwehoer.”

Een kunstroute door Oud-Charlois, een wielerproloog rondom winkelcentrum Zuidplein en een gratis boodschappentas met opdruk: I love RZ. Het volgens de beleidsmakers „verrassend veelzijdige” Rotterdam-Zuid (200.000 inwoners) zette de bloemetjes buiten. Het Pact op Zuid, de sociaal-economische opknapbeurt van de verloederde zuidoever, bestond drie jaar. Dat moest gevierd worden. Centrale boodschap van de drie coalitiepartners (gemeente, deelgemeenten en woningcorporaties): Zuid gaat vooruit, maar de weg is nog lang. Dat was vorige maand.

Directeur Paul Smits van het Maasstad Ziekenhuis (3.000 werknemers) in Rotterdam-Zuid kent die geluiden. Hij velt een harder oordeel. „Als we niet oppassen, is Zuid straks een doods overloopgebied, waar niemand nog wil wonen of werken”, zei hij. Dat was vorig jaar tijdens een discussieavond op het schiereiland Katendrecht. Niemand die hem tegensprak. Smits verwoordde het algemene gevoel onder de vijftien aanwezige en al even bezorgde ondernemers op Zuid: zonder een doortimmerde economische toekomstvisie én de hulp van het lokale bedrijfsleven is Rotterdam-Zuid ten dode opgeschreven. Alle goede bedoelingen van het Pact op Zuid ten spijt. De overheid en de wooncorporaties kunnen het niet alleen. Ook al bedraagt het totale investeringsbedrag ruim 1 miljard euro.

Rotterdam-Zuid herbergt van oudsher enkele grote internationaal opererende ondernemingen, zoals levensmiddelenfabrikant Unilever en raambekleder Hunter Douglas. Maar hun bemoeienis met hun directe omgeving reikt doorgaans niet verder dan gesteggel met de deelgemeente over uitbreiding van het parkeerterrein. Ja, directievoorzitter Kees van der Waaij van Unilever Nederland bestelt wel eens „een paar taarten bij de bakker om de hoek” als hij wat te vieren heeft in zijn vestiging op de Kop van Feijenoord, bekende hij eens. Maar verder is zijn onderneming uiteraard vooral druk met de eigen bedrijfsvoering.

Toch vindt ook Van der Waaij dat het lokale bedrijfsleven niet langer werkeloos kan toekijken. Zuid is nu synoniem voor problemen, constateerde de Unilever-topman bij de verjaardag van het Pact. „Dat maakt Zuid steeds minder aantrekkelijk voor bedrijven en mensen om er te blijven of zich te vestigen.”

Smits onderschrijft die woorden. Met de toenemende vergrijzing neemt de werkdruk in zijn ziekenhuis alleen maar toe. „Ik heb straks heel veel handjes nodig”, zegt hij. Verdere sociaal-economische uitholling van Rotterdam-Zuid, nu al een anoniem toevluchtsoord voor veel kansarmen, is niet in zijn belang. „Het zou betekenen dat ik mijn personeel van steeds verder weg deze kant op moet zien te krijgen.”

Smits en Van der Waaij ondertekenden een intentieverklaring, onder de noemer IkZitopZuid: ‘een privaat initiatief gericht op de ontwikkeling van een ruimtelijk economisch toekomstperspectief voor de regio Rotterdam-Zuid’. Dat was dit voorjaar. Het manifest kreeg de steun van 25 bedrijven, waaronder sleep- en bergingsbedrijf Smit Internationale, bank en verzekeraar ING en uitzendorganisatie Randstad. Minister Eberhard van der Laan (Wijken, Wonen en Integratie, PvdA) nam het document „met grote belangstelling” in ontvangst, na de bijna wanhopige oproep van Van der Waaij: „Het werk moet terug op Zuid”.

Hoe kwetsbaar Rotterdam-Zuid is, blijkt dezer dagen. Vorige week maakte milieuconcern Van Gansewinkel bekend de afvalverbrandingsinstallatie (130 arbeidsplaatsen) aan de Brielselaan over anderhalve maand te sluiten. Gisteren volgde de mededeling van de Persgroep Nederland dat de drukkerij (160 werknemers) in de deelgemeente Charlois per 1 april wordt opgedoekt. Zo verdwijnt langzaam maar zeker de werkgelegenheid op de zuidoever, zonder dat daar nieuwe banen tegenover staan die het achterstandsgebied de zo broodnodige impuls geven. „Rotterdam dreigt de Mijnstreek van de Randstad te worden”, meent Pieter Tordoir, hoogleraar economische geografie en planologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Op verzoek van de twee Rotterdamse bureaus voor stedelijke ontwikkeling (WSA en Concire) en bouwbedrijf Dura Vermeer maakte Tordoir een ‘analyse van de economische kansen en bedreigingen van Rotterdam-Zuid en de aangrenzende regio Drechtsteden’. Zijn conclusie: de automatisering in de van oudsher zware, havengerelateerde industrie en de daarmee gepaard gaande groei van de arbeidsproductiviteit hebben de behoefte aan eenvoudige arbeid sterk verminderd. Mede door het gebrekkige opleidingsniveau van de beroepsbevolking wordt dit nadeel amper gecompenseerd door de groei van een dienstensector zoals elders in Nederland wel. Rotterdam-Zuid worstelt met zijn industriële erfenis en heeft ondanks zijn strategische ligging de slag gemist.

Wat de regio volgens Tordoir nodig heeft, is een radicale breuk met het verleden. Overheid en bedrijfsleven moeten „de rücksichtslose keuze durven maken om op dit kruispunt van economische assen een mondiaal centrum voor energie-, water- en deltatechnologie neer te zetten”. De stad koestert al ambities op dit terrein (getuige het eigen klimaatplan), maar het moet „groter, massaler en gedurfder” om een doorbraak te forceren, zegt Tordoir. Rotterdamser dus eigenlijk. Opdat het nu „onderbenutte mentale kapitaal” in de relatief jonge stadsregio kans krijgt zich te ontplooien. „Jongeren die in Rotterdam en omgeving opgroeien, hebben op dit moment nauwelijks een goede reden om te gaan studeren”, stelt Tordoir. Een aansprekende naam voor het gebied is al bedacht: Mid-Tech Delta.

Wethouder Dominic Schrijer (Werk, Sociale Zaken en Grotestedenbeleid, PvdA) bekende „diep onder de indruk” te zijn van het pleidooi van de Amsterdamse hoogleraar. Daarmee legde hij de kwetsbaarheid bloot van het collegebeleid: het ontbreekt in Rotterdam aan visie voor de lange termijn. De stad is te veel bezig met het leggen van noodverbanden. Zoals de poging om de hoge inkomens te behouden of aan zich te binden, zonder zich daarbij af te vragen hoe dit economisch afgedwongen kan worden.

Bedrijvigheid in de vorm van banen is voor young potentials een belangrijker vestigingsvoorwaarde dan wel of geen tuin bij de nieuwe woning. Vrijwel elk onderzoek onderstreept dat. Toeval of niet, maar bij zijn uitverkiezing tot PvdA-lijsttrekker voor de komende gemeenteraadsverkiezingen stelde Schrijer dat hij „niet de skyline, maar de wijken” centraal wil stellen. Dat was eergisteren. „Het bieden van kansen en perspectieven is op dit moment belangrijker dan wolkenkrabbers bouwen”, zei hij.

En dat gaat verder dan het subsidiëren van de groentenboer in een van de vele achterstandswijken in Zuid. Dat moet ook gebeuren, zegt directeur Margriet Drijver van – de vooral op Zuid actieve – corporatie Com.wonen. Maar ‘IkZitopZuid’ gaat volgens haar een stap verder. „Het gaat niet uit van een overheid die zich blindstaart op de wijkeconomie.” Drijver beschouwt het initiatief van de Rotterdamse bedrijven als de tot dusver ontbrekende schakel in het Pact op Zuid. Zij prijst vooral „de prominente rol” die het onderwijs in de plannen krijgt toebedeeld.

Drijver woont zelf op Zuid, in het tuindorp Vreewijk. Zij kent de cynische geluiden over de stroperige voortgang. „Een deel van die kritiek is terecht, want sommige zaken in het Pact zijn veel te vrijblijvend van aard.” Maar de suggestie dat het ruim drie jaar oude Pact op Zuid tot mislukken gedoemd is, bestrijdt zij. Drijver ziet het bijna dagelijks met eigen ogen. „De buitenwacht blijft sceptisch, maar onder bewoners zelf proef ik weer trots. Dat was een paar jaar terug wel anders, waardoor de ellende nog groter leek dan die in werkelijkheid was. Maar het is nu wel tijd voor een volgende fase, want anders vloeit al de herwonnen geestdrift ook zo weer weg.”

Ziekenhuisdirecteur Smits pleit voor fiscale vrijzones op Zuid. „Leg hier het snelste draadloze wifinetwerk aan wat voorhanden is en geef jongeren mobiel internet. Dat werkt beter dan tegen iedereen zeggen: jij moet gaan ondernemen!” Dat zei hij twaalf maanden geleden. Met dat idee is niets gedaan. Smits begint ongeduldig te worden. „Ik wil aan de slag, nog liever vandaag dan morgen. We moeten nu echt in de ‘doe’-stand komen, anders blijft het geouwehoer. De fase van praten zijn we nu wel voorbij.”