Erg gemeen waren ze, en machtig

Vandaag twintig jaar geleden brak in het land van mijn ouders de revolutie uit.

Ik wist dat dat goed was. Want communisten droegen politie-achtige uniformen.

Toen ik klein was, hadden we vaak logés. In het bijzonder kan ik me nog één zomer herinneren: in elke kamer bivakkeerden wel twee of drie mensen, dus in totaal hadden we iets van vijftien gasten.

Dat was, denk ik, net na de val van de Muur. Iedereen wilde naar Amsterdam en mijn ouders woonden op de juiste plek en waren gastvrij. Ons huis leek wel een pension. Ikzelf sliep dan op een matrasje in mijn moeders kamer. ’s Ochtends sloop ik mijn eigen kamer in, waar misschien twee mensen op de grond lagen te snurken, om stilletjes kleding uit mijn kast te pakken.

Ook voor de val van de Muur was er nogal eens iemand op bezoek. Uit Frankrijk, uit Engeland, uit België, uit Amerika, uit Canada, uit Duitsland, uit Zwitserland, kortom: uit alle hoeken kwam wel wat aangewaaid. Aan tafel werd meestal woest gediscussieerd, in de taal van mij en mijn ouders. Ik was een jaar of vijf, en begon langzaam te begrijpen dat mijn ouders waren vetrokken uit het land waar ze vandaan kwamen.

En dat ze dat hadden gedaan vanwege iets gevaarlijks dat het land bestuurde, namelijk het communisme. Wat dat was, wist ik niet precies, maar het had te maken met de mensen die het voor het zeggen hadden in het land.

Als klein meisje associeerde ik dat met boze mensen in politie-achtige uniformen, die je dwongen dingen te doen die je niet wilde of je dingen verboden die je juist wel wilde doen. Ik weet nog dat mijn vader zei: „Als je als jongen lang haar had, werd je op straat aangehouden. Daarna werd je meegesleurd en kaalgeschoren.” Dat maakte grote indruk op me.

Ze waren dus erg gemeen en machtig, deze communisten. Omdat ik nieuwsgierig was en overal bij wilde zijn als kind, wilde ik geen gespreksonderwerp missen. En zodoende werd ik wat dat betreft niet gespaard. Mijn moeder vertelde tegen een vriendin dat ze bij de grensovergang naar de wc moest. Dat ging natuurlijk niet zomaar, er moest een grenswacht met een machinegeweer mee om haar in de gaten te houden. Er waren uitkijktorens en prikkeldraad. De vriendin knikte begrijpend en maakte er verder geen woorden aan vuil. Ik luisterde aandachtig.

Kort daarop ging ik met mijn moeder op bezoek naar Praag. Het was 1988 en ik vond het spannend om alleen met haar op reis te zijn. We kwamen aan op Ruzine, het Praagse vliegveld. Dapper stapte ik naast mijn moeder de vliegtuigtrap af. Ik was toch een grote meid?

We liepen over het terrein naar de terminal. Ik lette goed op. We waren nu in het land van de communisten, dus we moesten alert zijn. Al snel liepen we langs iemand in uniform. Ha! Dacht ik toen. Ik heb hem wel gezien!

En ik wees naar de man in uniform en vroeg hardop aan mijn moeder: „Mámo, is die meneer een communist?!”

De man keek vol verbazing op. Daarna bleef hij mij aandachtig aankijken, hij was duidelijk geïnteresseerd in wat ik te zeggen had.

Mijn moeder was sprakeloos, keek de andere kant op en begon opeens iets in haar tas te zoeken. Waar kon ze nu mee bezig zijn op zo een belangrijk moment? Hoezo waardeerde ze mijn opmerkzaamheid niet? Ik had het toch goed gezien en haar gewaarschuwd voor het Grote Kwaad? „Maar mámo, is die meneer dan geen communist? Volgens mij is hij een communist, hoor!” En ik bleef vastbesloten naar hem wijzen. Mijn moeder zorgde ervoor dat we ons zo snel mogelijk uit de voeten maakten.

Maar al snel kwamen we een andere man in uniform tegen en wel bij de pascontrole. Ik vroeg meteen of deze meneer dan misschien een communist was. De man keek mij strak aan en keek vervolgens naar mijn moeder. Toen keek hij weer terug naar mij. Het was heel lang stil. Hij hield onze paspoorten in zijn hand. Mijn moeder deed heel raar, ik begreep er niets van.

Ze wees naar buiten en zei tegen mij: „Kijk toch wat een mooi weer buiten, Sacha!” Ze keek helemaal niet naar de man in het uniform.

Na een tijd gaf de meneer de paspoorten terug en knikte dat we verder mochten. Mijn moeder pakte me streng bij mijn arm en sleurde me de aankomsthal in, waar mijn tante ons stond op te wachten. We waren er zonder kleerscheuren van afgekomen.

Iets meer dan een jaar later zaten mijn ouders aan de tv gekluisterd en joelden elke keer als op het beeldscherm een door mensen overspoeld Wenceslasplein verscheen. Constant hingen ze aan de telefoon. Ze hadden het over een of andere Havel, die twintig jaar eerder nog een eend voor mijn moeder en haar vrienden had gebraden.

Op de een of andere manier wist ik dat het goed was. En ik hoopte stiekem dat de douanebeambte op het vliegveld ook aan het joelen was. Maar ik had ook het vermoeden dat het betekende dat ik de komende jaren nog veel vaker zachtjes mijn kamer in zou moeten sluipen om kleding uit mijn kast te halen.

Sacha Pchenc (26) studeert rechten. Ze schrijft onder pseudoniem. Haar naam is bij de redactie bekend.