Bij Wilco ligt de schoonheid dicht bij de destructie

Pop Wilco. Gehoord: 16/11 Paradiso, Amsterdam. Herhaling: 17/11, Effenaar, Eindhoven.***

Hoe meer mensen, hoe nauwlettender de samenwerking. Bij de band Wilco spelen zes muzikanten: twee keyboardspelers, een drummer, een bassist, en twee gitaristen, en iedereen vult elkaar aan tot er een afgewogen muziekstuk ontstaat – nergens overdadig en met de ingenieuze vlakverdeling van een mandala.

De band uit Chicago, die al bestaat sinds 1994, heeft zich in de luwte ontwikkeld tot een geliefd en invloedrijk gezelschap, van wie de liedjes worden gecovered door collega’s als Norah Jones en Donavon Frankenreiter. Voorbeeldig is de variatie aan muzikale kleuren die de band, onder aanvoering van zanger/gitarist Jeff Tweedy, in de liedjes verwerkt. Die zijn ontleend aan country, aan jaren-zestigrock en aan de dissonanten van de alternatieve gitaarpop. Ze hebben daarbij nauwelijks achting voor de traditie: de muzikanten van Wilco gebruiken hun vakmanschap net zo lief om de eigen bouwsels met de grond gelijk te maken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het imposante Via Chicago, waarin een schijnbaar lieftallige gitaarsolo wordt onderbroken door een geluidsravage zo dramatisch dat het lijkt alsof gitarist Nels Cline kortsluiting maakt – terwijl Tweedy onverstoorbaar door de chaos heen zingt.

Gisteravond in Paradiso, Amsterdam, gaf de band vergeleken met hun veelgeprezen optreden op Lowlands een wisselvallig concert. Het begon tam, maar halverwege sloeg de vonk over.

Het tempo werd hoger en de uitvoeringen feller. Tweedy liet de zaal de tekst zingen van Jesus, Etc. en memoreerde dat Amsterdam regelmatig in zijn teksten voorkomt (zoals de regel ‘Dutch dope high’ in Deeper Down). In de uitgebreide toegift werd steeds ruiger gespeeld en op de instrumenten gebeukt. De muzikanten van Wilco toonden dat schoonheid vaak dicht bij destructie ligt.