Al 12.300 jaar geleden waren er Amerikanen

De eerste Amerikanen waren er eerder dan lang werd gedacht.

Dat blijkt uit de vondst van een benen krabber in de Amerikaanse staat Oregon.

Er is weer een Amerikaans record gesneuveld. In een grot in Oregon hebben archeologen een benen werktuig gevonden dat lijkt op een krabber om dierenhuiden schoon te maken. Het bot heeft een kartelrand en is, afgaande op koolstofdatering en op de afzettingslaag waarin het is aangetroffen, 12.300 jaar oud.

Daarmee is dit het oudste door mensen gemaakte voorwerp dat is gevonden op het westelijk halfrond. De vondst laat zien dat er in Noord-Amerika duizend jaar eerder mensen woonden dan lang is aangenomen.

Leider van het onderzoeksteam is archeoloog Dennis Jenkins, verbonden aan de afdeling antropologie van de universiteit van Oregon (UO). Hij onthulde de vondst vorige maand in een lezing. Het wetenschappelijke tijdschrift Nature wijdde er vorige week een bericht aan.

Jenkins’ team doet al jaren onderzoek in de Paisley Caves, acht grotten in een rotswand, 1.500 meter boven de oevers van Lake Summer. Zo’n 12.000 jaar geleden stond het water veel hoger en woonden de grotbewoners aan de oever van dit bergmeer in het zuiden van Oregon.

Archeoloog Luther Cressman onderzocht deze grotten al in 1938. Hij vond er beenderen van kamelen en bizons uit het late Pleistoceen, samen met door mensen gemaakte werktuigen. Cressman vermoedde dat dit sporen waren van de oudste Amerikanen, maar de vondsten zijn niet goed gedocumenteerd.

Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw bestaat over de kolonisatie van Amerika de volgende theorie. Zo’n 13.000 jaar geleden ontstond een doorgang tussen de twee ijskappen die Noord-Amerika bedekten. Via een landbrug waar nu de Beringstraat ligt en door de ijsvrije Canadese corridor zouden zo’n 11.500 jaar geleden de eerste mensen vanuit Azië Amerika zijn binnengetrokken. Ze liepen naar het zuiden en verspreidden zich over het continent.

Deze jagers ontwikkelden in Noord-Amerika een eigen cultuur. Die jagerscultuur kreeg de naam Clovis, naar een gehucht in New Mexico, waar in 1928 voor het eerst hun sporen werden gevonden – speerpunten tussen mammoetbotten. Sindsdien zijn op tientallen plaatsen verspreid over de VS soortgelijke speer- en pijlpunten gevonden. De jagers werden voortaan beschouwd als de eerste Amerikanen. Iedere indiaan zou van hen afstammen.

De laatste jaren is deze Clovis-theorie door nieuwe vondsten en nieuwe dateringen aan het wankelen gebracht. Antropoloog Michael Waters van Texas A&M University publiceerde in 2007 in het tijdschrift Science de resultaten van een nauwkeurige 14C-datering van Clovis-artefacten. Daaruit bleek dat vroege indianen maar drie eeuwen de tijd zouden hebben gehad om van Clovis-vindplaatsen te migreren naar Chili, waar bijna even oude artefacten zijn gevonden. Onmogelijk, zei Waters.

Vorig jaar droeg het team van Jenkins nieuwe munitie aan in de Clovis-discussie. In de Paisley Caves vonden zij 14 versteende uitwerpselen (coprolieten). In drie ervan werd menselijk DNA geïsoleerd van 12.300 jaar oud, 1.200 jaar ouder dan de oudste benen speerpunten van de Clovis-cultuur. Het mitochondriaal DNA in de menselijke coprolieten had een genetische structuur die uniek is voor inheemse Amerikanen.

De Clovis-theorie heeft hardnekkige aanhangers in de Amerikaanse archeologenwereld en Jenkins heeft er zowel voor- als tegenstanders. Eerder dit jaar schreef een groep van zeven antropologen en archeologen dat de versteende uitwerpselen jonger zouden zijn dan het sediment waarin ze waren aangetroffen. Jenkins c.s. bestreden dat en met de vondst van het benen werktuig hebben ze een nieuw argument.

Archeoloog Jon Erlandson, ook van de UO, vindt de vondst „dodelijk” voor de Clovis-theorie. Als er eerder dan 13.000 jaar geleden mensen van Azië naar Amerika zijn getrokken, kwamen zij via de kust en niet over land, want die route was toen afgesloten door ijs.

Bekijk een documentaire over de expeditie van Luther Cressman in 1938 via nrcnext.nl/links