Waarom heet de linkerzijde van een schip bakboord?

Anjo Clement uit Leiden heeft al veertig jaar ervaring met watersport. Maar toen zijn dochter hem onlangs vroeg waar de begrippen bakboord en stuurboord vandaan kwamen, stond hij toch met zijn mond vol tanden.

Menig taalkundige heeft zich hier het hoofd over gebroken. Woordenboekenschrijver Cornelis Kiliaen giste in 1598 dat de naam bakboord te maken moest hebben met de plek van de kombuis (scheepskeuken) aan boord. Hij hield bakboord dus voor de zijde waar gebakken werd.

In 1681 opperde zijn collega W. Winschoten dat de term bakboord te maken moest hebben met de plek waar de etensbak van de stuurman stond. Het roer, of de helmstok, van een schip zat vroeger niet aan de achtersteven, maar hing aan een leren ring aan de rechterkant van het schip (dat verklaart meteen de naam stuurboord). De schipper zou zijn bord, of bak, volgens Winschoten daarom links – aan bakboord – hebben gezet.

De taalkundige Lambert ten Kate stelde in 1723 dat de stuurman het roer bij harde wind met twee handen moest bedienen en dan met zijn rug naar de linkerzijde stond. Ten Kate ging ervan uit dat het voorvoegsel bak- van het oud Angelsakische bæc (rug) was afgeleid. Ook wij kennen back natuurlijk uit het Engels. Maar juist de Engelsen spreken al eeuwen niet meer van bæcbord of backboard. Lang heette de linkerzijde van een schip larboard, nu noemt een Engelsman die port.

Moderne taalkundigen voeren de herkomst van bak- terug naar het Middelnederlandse ‘baec’. Bak in de betekenis van rug kennen we van het woord achterbaks: achter iemands rug om.

Het woord bakboord is ook in andere talen terechtgekomen. Spanjaarden zeggen babor, Zweden babord, Italianen babordo. In Frankrijk spreekt men van bâbord.

En als je nu nog niet weet welke kant bakboord is en welke stuurboord; een ezelsbruggetje. Als je met je neus naar de punt van het schip staat zit baKboord linKs, en stuuRboord Rechts.

Leonie van Nierop