Sympathie voor de bijl in lichte 'Kersentuin'

Theater De Kersentuin, door Het Nationale Toneel. Gezien 13/11 schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 13/2. Inl: nationaletoneel.nl***

Volgens regisseur Erik Vos maakt het Russisch onderscheid tussen een kersenboomgaard en een kersentuin. De eerste heeft economisch nut, de tweede geeft niet langer voldoende kersen en dient nog slechts de schoonheid.

In De Kersentuin (1904) van Anton Tsjechov, opgevoerd door het Nationale Toneel, gaat het duidelijk om de tweede soort. De tuin symboliseert het lot van de Russische adel; sterk in grandeur en schoonheid, zwak in praktische zin. De lichtzinnige, beminnelijke edelvrouw Ljoebov weigert de werkelijkheid onder ogen te zien: de dreigende gedwongen verkoop van haar kersentuin.

Erik Vos plaatst zijn grote, drukke ensemble tussen vlekkerig goudbruine doeken, op een podium vol zand dat de zaal in steekt. Zo probeert hij iets van de oude circusachtige Appelsfeer mee te nemen in de schouwburg. Verder is zijn versie echter volstrekt traditioneel. Constante in het decor is een leeg kinderbedje, symbool voor Ljoebovs verdronken zoontje. Het bedje relativeert Ljoebovs lichtzinnigheid: zij is ook een vrouw op de vlucht, met een goede reden om de wereld alleen door haar oogharen te willen zien.

Vos maakt een mooie, lichte Kersentuin, rijk aan treffende details en met sterk ensemblespel. Alleen, bij een nieuwe regie van een klassieker verwacht je minstens één nieuw facet van het stuk te ontdekken. Dat is dit keer niet het geval.

In de schoot van de familie zit de nouveau riche Lopachin. Zijn vader werkte als slaaf op het landgoed. Nu kan hij de kersentuin kopen, omhakken en er zomerhuisjes op zetten. Hij staat voor de vooruitgang, voor de nieuwe tijd waarin afkomst, goede manieren en gevoel voor geschiedenis en kunst minder belangrijk zijn dan zakelijk inzicht.

Stefan de Walle speelt Lopachin als een sympathieke, onhandige reus die steeds weer op de tere adellijke teentjes trapt en die altijd onzeker zal blijven over zijn positie. Op het moment van zijn grote triomf wordt hij omringd door zijn slachtoffers; dat feest niet zo lekker. De Walle speelt met veel kracht en toch licht, en wint zo de gunst van het publiek voor Lopachin.

Kies je voor traditie, of voor vooruitgang? Daar gaat dit stuk over. En als het goed is, kan de kijker niet kiezen. Dus moeten de dragers van deze grootheden, Lopachin en Ljoebov, precies even zwaar zijn.

Maar De Walle heeft te zeer de vloer voor zichzelf. Betty Schuurman, als Ljoebov, is niet helemaal in haar element hier, en wordt niet het stralende middelpunt dat zij zou moeten zijn, haar indrukwekkende wagenwielhoed ten spijt. Zij mist tragiek, en de voorstelling eigenlijk ook. De bijlslagen die tegen het einde de kersentuin vellen, snijden niet door de ziel.