In het stadje Peja is de oorlog nog lang niet vergeten

Vandaag telt men in Kosovo de stemmen van de eerste verkiezingen van het land.

Kosovo kon niet langer bij Servië horen. Vraag het maar aan slager Isa Bala.

De Kosovo-Albanese slager Isa Bala draait gehakt en snijdt vlees zoals hij dat altijd heeft gedaan. In zijn stad Peja, in het westen van Kosovo, zijn de afgelopen jaren hotels gebouwd, de restaurants zijn gerenoveerd, er zijn kledingzaken bijgekomen, telefoonwinkels, internetcafés. Maar de slagerij van Isa Bala ziet er nog net zo uit als tien jaar geleden: er staat een gehaktmachine, er is een toonbank met daaronder het vlees.

Tien jaar geleden, net na het eind van de NAVO-bombardementen op Servië, vermoordden Servische paramilitairen in zijn huis drie van zijn vier kinderen. Isa Bala zelf kon ontsnappen, hij was van het balkon gesprongen samen met zijn zoontje Veton van acht. Zijn vrouw Alisa had tien kogels in haar borsten, maar ze overleefde.

Het waren dit soort misdaden die belangrijke landen in de wereld ervan overtuigden dat Kosovo niet meer zomaar bij Servië kon horen. Na de bombardementen werd Kosovo negen jaar lang bestuurd door de Verenigde Naties. Vorig jaar verklaarde het zichzelf onafhankelijk, tot woede van Servië en Rusland.

Vandaag worden de stemmen geteld van de eerste verkiezingen die Kosovo (zo’n twee miljoen inwoners) dit weekend zelf organiseerde – voor de burgemeesters en raadsleden van de 36 gemeentes in het land. Er was streng, internationaal toezicht. De VS en verreweg de meeste Europese landen willen Kosovo helpen om zelfstandig te worden. Ze geven veel geld, ze sturen duizenden experts die erop moeten letten dat de politie, de rechters en aanklagers in Kosovo hun werk goed doen. De Kosovaarse politici en bestuurders worden gecontroleerd door een speciale vertegenwoordiger van het Westen, de Nederlandse diplomaat Pieter Feith.

Zijn belangrijkste zorg zijn de Serviërs. Kosovo, vindt de internationale gemeenschap, moet niet alleen een staat zijn van Kosovo-Albanezen. Die hebben nu de macht. De 100.000 Serviërs die nog in Kosovo zijn, wonen in het noorden, bij de grens met Servië, of in enclaves. Het is de bedoeling dat ze mee gaan doen in het bestuur en de politiek. Kosovo zelf is er misschien nog lang niet aan toe, maar het buitenland wil verzoening.

Slager Isa Bala is geen prater. Hij vertelt dat hij suikerziekte heeft en dat zijn zaak niet meer zo goed loopt als vroeger. Maar verder gaat het goed. Zijn zoon Veton was op de dag van de onafhankelijkheid de straat op gegaan om feest te vieren met zijn vrienden.

Een straat verder zit Isa Bala’s vrouw Alisa op de bank in hun woonkamer. Een stevige vrouw, in een zwarte trui en een zwarte broek. „Voor ons is alles alleen nog maar slechter geworden”, zegt ze. Bijna een jaar nadat paramilitairen drie van haar kinderen hadden vermoord, kreeg ze een baby, een meisje, dat twee uur na haar geboorte overleed. Alisa kreeg problemen met haar hart.

Elke ochtend kijkt ze naar de foto’s van haar vermoorde kinderen, ze stoft ze af. En Alisa bidt, zegt ze, elke dag: „Ik bid dat Allah me op een dag de kans geeft om wraak te nemen.”

De Serviër die de opdracht zou hebben gegeven voor de moord, de vroegere politieman Nebojsa Minic, stierf in 2005 in Argentinië aan longkanker. Maar Alisa weet niet zeker of ze dat wel kan geloven. „Een journalist zei tegen mij dat het niet waar is.”

Op zijn achtste was Veton Bala vast van plan om Serviërs te gaan doodmaken. Nu is hij negentien. Over een paar maanden gaat hij trouwen. Hij werkt in de slagerij, later zal hij de zaak van zijn vader overnemen.

Veel andere jongeren in Kosovo zijn niet zo zeker van een baan – de werkloosheid is zo’n 40 procent. In Peja zijn vijf of zes Kosovo-Albanezen met vroegere VN-bestuurders meegegaan naar andere gevaarlijke plekken in de wereld: Darfur, Pakistan, Afghanistan. Daar verdienen ze, zeggen inwoners van de stad, zo’n vijf- of zesduizend euro per maand. Ze hebben geluk gehad, vinden de anderen. Het waren boeren, uit de dorpen rond Peja, die voor de VN bijvoorbeeld de elektriciteit repareerden en niet bang waren om in hoge palen te klimmen.

Eind jaren negentig waren het vooral boeren die vochten tegen de Servische politie en militairen. Ze hadden een eigen guerrillaleger, het UCK. De UCK-leiders van toen zijn nu de belangrijkste politici in Kosovo. Vroegere UCK-strijders hebben nu dure winkels, restaurants, benzinestations. Als je in een stad als Peja een BMW of Mercedes ziet rijden – altijd te hard – dan zijn dat meestal oud-UCK’ers. Of hun broers of neven.

In de Servische enclave Gracanica, in de buurt van de Kosovaarse hoofdstad Pristina, vinden ze het vervelend als je over de gevechten van eind jaren negentig begint. „Ik probeer het te vergeten”, zegt de Servische politicus Petar Miljetic (35), die op vrijdagmiddag met zijn vrienden in een café zit. Hij was reservist in het Servische leger. Tijdens de NAVO-bombardementen in 1999 was hij bij de grens met Montenegro en Albanië, waar honderdduizenden Kosovo-Albanezen naartoe werden gejaagd. „Het is onmogelijk om te vergeten. Ik heb het er ook nog wel eens over met vrienden. Maar dan houden we snel op. Het is het verleden. Een slecht verleden.”

Volgens mensenrechtenorganisaties werden in het voorjaar van 1999 zo’n negenduizend Albanezen uit Kosovo gedood door Servische troepen. Vrouwen werden verkracht, huizen werden leeggeroofd en vernield. In de stad Peja was volgens Human Rights Watch zo’n 80 procent van de huizen zwaar beschadigd of vernield.

Daarna waren het de Kosovo-Albanezen die Serviërs wegjoegen. In de eerste weken na het einde van de NAVO-bombardementen vluchtten meer dan 200.000 Serviërs uit Kosovo. Hun huizen en kerken werden in brand gestoken. Volgens Amnesty International werden er zo’n 800 Serviërs en zigeuners, die met de Serviërs zouden hebben samengewerkt, vermoord. De ongeveer 50.000 militairen van de NAVO-vredesmacht KFOR konden het geweld en de vernielingen niet voorkomen.

Nu zijn er nog zo’n 14.000 NAVO-troepen in Kosovo. Volgend jaar worden er vierduizend teruggehaald, uiteindelijk zullen er zo’n tweeduizend overblijven. Volgens de NAVO wordt het steeds veiliger in Kosovo. Het uitroepen van de onafhankelijkheid leidde ook niet tot hevig geweld. Op andere plekken – Afghanistan, voor de kust van Somalië – zijn de militairen harder nodig.

In de stad Peja, met zo’n 80.000 inwoners, zijn geen Serviërs meer. De flats waar ze woonden, staan op instorten. Net buiten de stad is nog een Servisch dorp dat wordt bewaakt door Italiaanse NAVO-militairen. En er is een Servisch-orthodox klooster. Twee jaar geleden werd er een hoge muur omheen gebouwd. Bij de ingang staan NAVO-militairen, Albanezen mogen er niet komen.

Het orthodoxe klooster in de Servische enclave Gracanica wordt ook beschermd door militairen. Er ligt prikkeldraad op de muren. De bisschop in Gracanica heeft gezegd dat zijn mensen „nooit, maar dan ook nooit de illegale, onwettige, eenzijdige verklaring van onafhankelijkheid” zullen erkennen. „Kosovo blijft Servië.”

Op vrijdagmiddag delen Servische kandidaten voor de gemeenteraad van Gracanica folders uit – ook al wil de Servische regering in Belgrado niet dat de Serviërs in Kosovo aan de verkiezingen meedoen. Servië organiseert het onderwijs in de Servische enclaves van Kosovo, Servië betaalt ook de gezondheidszorg. Wie op een school of in een ziekenhuis werkt en gaat stemmen, of zich verkiesbaar stelt, verliest zijn baan.

Petar Miljetic, kandidaat voor de gemeenteraad van Gracanica, vindt het dom als Kosovo-Serviërs daarnaar luisteren. Ze hebben nu de kans, zegt hij, om macht en invloed te krijgen in hun eigen gebieden. Maar hij snapt hen wel. „Wij zijn een gesloten gemeenschap, we hebben geen eigen stedelijk centrum waar we onze eigen ideeën kunnen ontwikkelen, we hebben geen cultureel leven. We kijken naar televisie uit Belgrado, we lezen kranten uit Belgrado. En als er daar iets in het nieuws is over Kosovo, gaat het over moord en misdaad.”

In het kantoor van de kiescommissie in Gracanica zit Nebosja Peric, kandidaat om burgemeester te worden. Hij was plaatsvervangend burgemeester in het bestuur van de enclave dat de Serviërs daar zelf hebben georganiseerd, met hulp van de regering in Belgrado en ook betaald door Belgrado. Die baan is hij kwijt nu hij kandidaat is voor de Kosovaarse verkiezingen. Hij heeft ook geen ziektekostenverzekering meer. Als hij wordt gekozen – de definitieve uitslag komt pas eind deze week – zal hij betaald gaan worden door de Kosovaarse regering.

Als je hem vraagt of Albanezen en Serviërs op een dag vreedzaam naast elkaar kunnen leven, zegt hij: „Mijn Albanese kennissen weten dat ik ben gestraft door Belgrado. Toch is er niemand die me vraagt of ik mee wil naar het filmfestival in Pristina.”

En vraag het aan Alisa Bala, die drie kinderen verloor in de oorlog. Zij zegt: „Ik wil dat de Serviërs verdwijnen. Ik hoop dat God hun zaad vernietigt.”

Petra de Koning schreef over de oorlog in Kosovo het boek ‘De dochter van de slager’ (2000).