Zand kalk konijnen

Het soortenrijke duin van vroeger is weg. Maar het kan terugkomen. Hester van Santen

Wat je hier ziet, ziet er wel grazig uit. Maar het is geen duingrasland. Hier zie je die bijzondere flora niet.” Anton van Haperen van Staatsbosbeheer staat in het droge gras in de duinen ten westen van Burgh-Haamstede, op het Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland. Hij heeft net het brede, rechte pad verlaten waar ouders met hun kinderen in de herfstzon wandelen. Nu staat hij midden in het korte gras, nadat hij de grote pollen omzeild heeft. Nee, toeristen mogen dit niet, geeft hij toe.

Van Haperen is gefascineerd, zegt hij, door de duinen. Twee weken geleden promoveerde hij aan de Wageningen Universiteit op een brede studie – historisch, geologisch en botanisch – naar de natuur in het Zeeuwse duingebied. De conclusie, om kort te gaan: zoals het nu gaat, groeit het duinlandschap dicht.

“Ik was hier voor het eerst in 1975”, vertelt de zestigjarige bioloog. “Toen was het hier veel minder grazig, er er waren veel meer stuifkuilen.” Hij zakt door de knieën en begint aan te wijzen, in het grasland dat geen duingrasland mag heten. “Dit mos is gaffeltandmos, en hier zie je wat rendiermossen. En dit is zandzegge. Dat je hier niet de bijzondere duingraslandsoorten ziet, dat komt door de humuslaag.” Hij trekt zijn zakmes en snijdt door de iele begroeiing. “Kijk, hier zit wel vijf tot acht centimeter humus. Dat heeft een pH van drie, vier. Dat humus bouwt zich naar boven toe uit, de laag wordt steeds dikker en de bodem wordt alleen maar zuurder.”

Het Zeeuwse duinlandschap, stelt Van Haperen in zijn proefschrift, is de laatste decennia in hoog tempo aan het veranderen. Terwijl het landschap vanaf de Romeinse tijd open was, met kleinschalige verstuivingen en nauwelijks bos, is het duingebied nu aan het verruigen: er komen steeds meer bomen en struiken. Het oude stuivende landschapstype was stabiel, maar het dicht begroeide duinland is dat ook. In een duingebied dat eenmaal ‘gefixeerd’ is, krijgen het stuifzand en de bijbehorende soorten geen kans meer.

We staan aan de rand van het bos: een flink bos, 270 hectare groot en anderhalve eeuw oud, in bezit van Staatsbosbeheer. Links het bos, rechts de lage duinen en het dorp. Zulke bossen versnellen het fixeren van duingebieden, legt Van Haperen uit. “Die boompjes breken de wind.” Daardoor neemt het stuiven af, en krijgen jonge bomen de kans zich buiten de bosrand te vestigen.

Maar dat bos staat er al meer dan honderd jaar. “Het komt ook door depositie van stikstof uit de lucht.” Luchtvervuiling dus. “En doordat het klimaat vochtiger wordt, waardoor de groeiomstandigheden zijn verbeterd. En er zijn minder grazers. Er is een gebrek aan konijnen. Dat komt vooral door VHS.” Het viraal haemorrhagisch syndroom is een dodelijke virusziekte die in de jaren negentig de Nederlandse konijnenpopulatie trof. “Die konijnen zijn hier daarna niet meer teruggekomen.”

LANDROT

Van Haperen is geen beroepsecoloog. Maar hij werkte sinds 2002, na jaren dubben over zijn wetenschappelijke aspiraties, in deeltijd aan een proefschrift. “De grootschalige processen in de natuur zie je in Nederland het meest op zee, en in de duinen”, zo verklaart hij zijn interesse. “Ik ben een landrot, dus werden het de duinen. En ik ben geïnteresseerd in de invloed van de mens.”

De Zeeuwse duinen waren in de middeleeuwen, en zelfs tot in de negentiende eeuw, veel kaler dan nu. Dat was al bekend. Maar Van Haperen benadrukt dat die natuur rijk aan plantensoorten was, en bovendien stabiel – de biodiversiteit kachelde er niet achteruit. En dat, benadrukt de onderzoeker, dankzij de invloed van de mens. In zijn proefschrift staat het duidelijk: “Het beeld moet worden bijgesteld dat de mens het duinlandschap in het verleden heeft geplunderd en leeggeroofd.”

Er werd hout gehakt in de duinen. Maar vooral werden er konijnen gehouden, zo beschrijft de Staatsbosbeheerman. En dat leverde een licht stuivend duinlandschap op, met veel soorten die op die kalkrijke, zandige bodems gedijden. “Zeeland bestond sinds de post-Romeinse tijd uit strandwallen. Het waren losse eilanden. Mijn gedachte is dat daar nooit bos is geweest.” De strandwallen erodeerden, en vanaf 300 na Christus begonnen de grote zeegaten van Zeeland zich te ontwikkelen. Veel kans voor het ontstaan van bos was er van nature dus niet. “Bosplanten moesten van ver komen.”

En, vervolgt hij, er woonden mensen. “Dus elke tak werd afgehakt, en dat landschap bleef kaal. Door de houtkap, maar misschien wel vooral vanwege de konijnen.” Van de veertiende tot de achttiende eeuw, concludeert Van Haperen, werden de Zeeuwse duinen vooral gebruikt voor het houden van konijnen.

Het konijn komt van nature niet in Nederland voor. In de dertiende eeuw werd het uit Zuid-Europa ingevoerd. Vooral konijnenbont was een gewild artikel. Het duinlandschap werd in de volgende eeuwen daarom grotendeels verdeeld in zogeheten ‘konijnenwaranden’, ontdekte Van Haperen na onderzoek van historische bronnen.

KONIJNENVANGST

Die waranden waren in handen van de overheid en werden verpacht, of waren in bezit van particulieren. De pachters, ‘duinmeieren’, hadden het recht om konijnen te vangen, maar verbeterden ook de leefomstandigheden voor de konijnen. Ze voerden ze bij in de winter, en boorden zelfs kunstmatige holen. Met de konijnenvangst was veel geld gemoeid, en er werden zelfs rechtszaken om gevoerd. Van Haperen schat dat er rond het jaar 1600 elk jaar 80.000 tot 120.000 konijnen in de Hollandse en Zeeuwse duinen werden ‘geoogst’.

“Dit is volgens mij hoe een groot deel van de duinen er lange tijd hebben uitgezien.” De bioloog wijst op plaatjes in zijn boek, om te laten zien waar we naar toe gaan lopen. Dat zijn de échte duingraslanden. Zandkuilen en karige veldjes wisselen elkaar af. Het kruipend stalkruid, een roze bloemetje dat op een erwtenplant lijkt, komt op een foto maar net boven het zand uit. Daarnaast iel mos, ook deels met zand overstoven. “Het zand wordt door die planten en mossen wél gefixeerd.” Er waren geen zandverstuivingen zoals je nu op de Veluwe bij Kootwijk ziet.

“Ik denk dat die duingraslanden zó groot waren, dat ze zichzelf in stand hielden”, zegt de onderzoeker. En dat is een centraal punt van zijn proefschrift: dat ‘kleinschalig verstuivend landschap’, dat in ieder geval sinds de late middeleeuwen bestond, was een stabiel systeem. De ontwikkeling van de vegetatie en het verstuiven zijn er in evenwicht. “Een kleinschalig verstuivend landschap gaat niet over naar een grootschalig verstuivend duinlandschap. Daar zijn twee redenen voor. De wind heeft op een groter oppervlak meer effect. En de bomen moeten van veel verder komen.”

Het kleinschalig verstuivend duinlandschap is rijk aan overblijvende planten. “Als ik mijn familie er mee naartoe neem, denk ik dat ze het maar een kale bende vinden. Maar in het kader van biodiversiteit is het prachtig.”

WOESTE GROND

Maar juist dat landschap is dus – door vervuiling, bosopslag en gebrek aan konijnen – aan het dichtgroeien. Het begon in de achttiende eeuw, vertelt Van Haperen. Konijnenbont was impopulair geworden, en ‘woeste grond’ werd hopeloos ouderwets gevonden. Landbouwgrond moest er komen, en als de grond daarvoor te slecht was: dan maar bos. Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw werd er veel aangeplant.

Het probleem, zegt van Haperen, is dat natuurbeheerders graag van alles een beetje willen. Er is steeds meer bos gekomen, maar daarnaast willen natuurontwikkelaars graag open vlaktes. Het doel is een ‘mozaïeklandschap’, met allerlei landschapstypen op een oppervlakte van niet meer dan tientallen hectares. “Dat moet je niet willen, en dat kan ook niet. Het is helemaal doorgeslagen. Alles ontwikkelt zich tot een gefixeerd duinlandschap.” Er komen struiken als duindoorn, kruipwilg en meidoorn. “Ik vind: beheerders moeten een keuze maken. Ieder duingebied heeft bovendien zijn eigen chemie, en zijn eigen historische ontwikkelingen.”

Van Haperen laat zich op een zandige helling door de knieën zakken om uit te leggen dat de begroeiing op Schouwen van nature anders is dan op Voorne, of op Walcheren. “Dit type mos heet duinsterretje. Dat vind je op Voorne niet. En hier heb je muurpeper – met kleine gele bloemetjes – en dit vergeet-mij-nietje. Hoe heet ie nou? Myosotis... ramosissima. Het ruw vergeet-mij-nietje.”

KORRELS

Hij laat wat zand door zijn vingers glijden. “Het is hier wat grover dan op Voorne. En op Walcheren is het véél grover dan daar.” Het zand op de Zeeuwse eilanden verschilt per eiland, en daardoor ook de begroeiing, beschrijft Van Haperen in zijn proefschrift. Hij mat dat op Walcheren 30 procent van de korrels groter is dan 0,35 millimeter. Op Goeree en Walcheren is dat soms maar een paar procent. Hij tekent een kaart in het zand. “Het verschil tussen Walcheren en Schouwen heeft te maken met de getijdenstroom. Die trekt van zuid naar noord, en dus krijg je zandtransport van fijne deeltjes vanuit de monding van de Oosterschelde.”

Ook in kalkgehalte zijn er grote verschillen. Dat is belangrijk voor de plantengroei, want kalk buffert de zuurgraad en de beschikbaarheid van andere mineralen in de bodem. Het duinzand van Walcheren is uitgesproken kalkarm: in geen enkel monster dat Van Haperen nam, kwam het kalkgehalte boven de 3 procent uit. Schouwen en Goeree nemen een middenpositie in – met veel lokale variatie – en op Voorne is het zand juist kalkrijk. “Omdat het op Voorne kalkrijker is, vind je daar soorten als het ruig viooltje, en de welriekende salomonszegel. Die vind je hier niet, en dat kán ook niet.” Natuurbeheerders moeten daar meer rekening mee houden, vindt hij.

Voor deze duinen, op Schouwen, heeft hij een recept bedacht. En nee, het bos aan onze linkerhand hoeft niet weg. “Als Staatsbosbeheer daar de bijl in zet, vinden de bewoners dat niet leuk. Maar neem zo’n plek daar, met dat open zand. Ik zou willen proberen of we daar een windkuil kunnen herstellen. Dan moet je wel de bodem afplaggen, en daar moeten we ervaring mee opdoen.

BUFFERCAPACITEIT

“En je moet de konijnen helpen. Er is nu wel begrazing door Shetlandpony’s, maar dat is niet voldoende. De dichtstbijzijnde plek waar vitale populaties konijnen voorkomen, is Neeltje Jans: meer dan vijf kilometer verderop met water ertussen, dus die komen hier niet zo maar. De bodemomstandigheden zijn wel vrij gunstig. Ondiep in de bodem zit nog een kleine hoeveelheid kalk, een half procent ofzo. Als je het landschap weer in beweging krijgt, zul je zien dat de buffercapaciteit vrij groot is.”

Zulke open, soortenrijke plekken zijn er nog, hier in de duinen op Schouwen. We zijn er nu al een half uur naar op weg. Over rijen graspollen heen, smalle paardenpaadjes volgend, tussen de kleurrijke Amerikaanse vogelkers door en langs zandkuilen met potentie.

En dan zijn we er. De hoogste zandberg in de omgeving, het zal een meter of vijftien zijn, met de vorm van een mini-vulkaankrater. Grillige hoge randen, kuil in het midden. Over de rand lopen we naar de top.

“Deze kuil functioneert al sinds 1975”, vertelt Van Haperen terwijl hij diepe voetstappen in de schuine zandhelling achterlaat. “Er moeten tien keer zoveel van dit soort plekken komen in Zuidwest-Nederland. In termen van duingraslandsoorten is dit een hotspot op Schouwen. Hier vind je de driedistel, het hondsviooltje, de vleugeltjesbloem. Moet ik er nog meer noemen, of heb je aan drie voldoende?”

We zijn boven. De zon schijnt flets, mist komt in de verte opzetten. De duinen glooien, kaal, tot aan de velden bij het dorp. “Hier zie je ook dat er wel struiken staan, zoals de kruipwilg, maar geen bomen. Dit is net zoals de situatie in de middeleeuwen.”

Of deze kale berg het zonder ingrijpen nóg 35 jaar uithoudt, weet de onderzoeker niet. “De vraag is of dit blijft bestaan. Tot voor kort zaten hier konijnen. We zitten in een soort evenwicht, maar als je eenmaal over een grens gaat, verandert het heel snel. Ik weet niet hoe dicht we bij die grens zitten.”

Het proefschrift van Anton van Haperen ‘Een wereld van verschil; Landschap en plantengroei van de duinen op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden’ is verschenen bij de knnv Uitgeverij. Het is ook te downloaden op http://edepot.wur.nl/