Warhols dollars verdrijven de crisissfeer

De laatste grote veiling van moderne kunst dit jaar is een succes geworden voor Sotheby’s. Met 134 miljoen dollar was de opbrengst veel hoger dan verwacht.

Andy Warhol deed het weer. En nog een keer. En nog een keer. Drie Warhols gingen weg voor 4,2 miljoen, 6,1 miljoen en 43,7 miljoen dollar. De crisis is voorbij, juichte woensdagavond de directeur van Sotheby’s in New York. Er werd geboden alsof het weer 2007 was. Zelfs de veilingmeester was geschokt toen na het openingsbod van 6 miljoen voor Andy Warhols 200 One Dollar Bills meteen iemand „12 miljoen!” riep.

Van de 54 werken die Sotheby’s die avond veilde, werden er slechts 2 niet verkocht. De rest vond voor vaak onverwachte hoge prijzen afnemers. De totale opbrengst was 134,4 miljoen dollar, bijna 40 miljoen boven de hoogste verwachting. Het verkooppercentage van 96,3 procent deed sterk denken aan de hoogtijdagen van voor de crisis. Al waren de veilingen toen twee keer zo groot en de geschatte opbrengsten veel hoger.

In november vinden jaarlijks in New York de belangrijkste veilingen van eigentijdse kunst plaats. Christie’s had zijn best gedaan en bood interessant werk zoals Peter Doigs Reflection (What does your soul look like), een geweldige rode weerspiegeling van een man in een plas water. Een anonieme koper had er dinsdagavond in het Rockefeller Plaza 10,1 miljoen voor over. Ook indrukwekkend was een ongetiteld werk uit 1958 van Joan Mitchell. Een Amerikaanse particulier betaalde er 5,4 miljoen dollar voor, bijna een record voor de in 1992 overleden Amerikaanse abstracte expressionist.

Zo was er bij Christie’s wel meer aardigs, zoals een tekening van Basquiat, maar de avond miste glans. Het verkooppercentage van 85 procent was redelijk en de opbrengst van 74 miljoen dollar ook.

Dat er een dag later bij Sotheby’s een partystemming zou ontstaan, kwam een beetje onverwacht. Contemporaine kunst geldt als het zwakke kindje op de markt. Oude meesters en impressionisten zijn betrouwbaarder. Als woensdagavond iets heeft bewezen, dan is het dat Andy Warhol de gelijke is van Rembrandt. Zijn 200 One Dollar Bills verdreef de grauwe crisissfeer met een felle flits van 43,7 miljoen dollar.

200 One Dollar Bills is een meesterwerk uit Warhols eerste reeks zeefdrukken van maart-april 1962. Het heeft maar twee eigenaren gehad, altijd een goed teken. Het is in 1986 geveild uit de nalatenschap van de eerste bezitter, de New Yorkse taximiljonair Robert C. Scull, en toen voor het record van 350.000 dollar gekocht door de man die het nu aanbood.

Op de veiling deden twee Hollanders mee met de groten. Voor Willem de Kooning was er zelfs een record - zijn beeld Large Torso uit 1974 bracht 5,6 miljoen op – en zijn schilderij Untitled XV (1977) werd geveild voor 6,1 miljoen dollar. Karel Appels Vrouw en kind (1953) bracht 746.000 dollar op.

De grote veilingen van 2009 zitten er op. Het leek een mager jaar te worden, afgezien van het unieke Yves Saint Laurent-spektakel in februari, maar vooral Sotheby’s heeft met impressionisten en nu weer kunst sinds de jaren vijftig laten zien dat de invloed van de conjunctuur op de kunstmarkt onvoorspelbaar blijft. Werken van hoge kwaliteit blijven onweerstaanbaar, ook voor miljardairs met een gehalveerd vermogen. Met kunst kun je zelfs nog flink geld verdienen, zoals Louis Reijtenbagh vorige week bewees.