Vooral CDA en VVD moeten zich opmars PVV aantrekken

Bestrijding van het populisme is een taak voor alle partijen. Maar omdat het verschijnsel vooral ten koste van VVD en CDA gaat, moeten zij het voortouw nemen.

Journalist en historicus. Schrijft geregeld in NRC Handelsblad en Trouw over politiek, religie en filosofie.

Het zal rond 1983 geweest zijn. De aanvoerder van een nieuw politiek partijtje waarvan we sindsdien niets meer vernomen hebben, werd geïnterviewd. „U hebt nog niet veel bereikt, hè?”, merkte de journalist op. „Nou”, zei de man, „we zijn nog maar net begonnen en Van Agt en Wiegel zijn al weg”. Grapje. Uit gelijktijdigheid volgt logischerwijze nog geen oorzakelijkheid.

Dat moet ook in de gaten gehouden worden als gekeken wordt naar de recente opiniepeilingen. De virtuele neergang van de PvdA en de spookachtige opkomst van de PVV worden te gemakkelijk aan elkaar gekoppeld, alsof er een causaal verband tussen beide verschijnselen zou bestaan. Dat is er niet. Zelfs als het waar zou zijn dat veel PVV’ers ooit PvdA hebben gestemd, dan nog kan men niet stellen dat de lokroep van de Rattenvanger, zoals Geert Mak de leider van de populistische beweging noemt, primair een probleem vormt voor de oude sociaal-democratische partij. Vooral CDA en VVD zouden zich de opmars van Geert Wilders moeten aantrekken. En zij hebben er ook het meeste belang bij die te stuiten.

Het is niet moeilijk om dat te zien. Vanouds kent de Nederlandse politiek bij alle schommelingen een vrij stabiele scheidslijn tussen links en de rest, die we hier gemakshalve rechts zullen noemen. De linkerkant van het politieke spectrum is altijd zeer overzichtelijk geweest en telt in tegenstelling tot rechts sinds 1946 slechts een gering aantal partijen. Tot de harde kern van links behoren in ieder geval de PvdA, GroenLinks (met de vier voorlopers CPN, PSP, PPR en EVP) en de SP. Als men het begrip vervolgens iets ruimer neemt, horen ook D66 en de PvdD (en in de jaren zeventig DS’70) erbij. Dat is alles.

Toen in 1956 de Tweede Kamer uitgebreid werd tot 150 zetels, behaalde links 57 zetels. Dat aantal werd pas in 1971 overtroffen met 68 zetels, een jaar later gevolgd door 71 zetels (maar in beide gevallen tel ik wel DS’70 mee en dat zou niet iedereen doen). Bij de twaalf verkiezingen sinds 1971, gedurende een periode van bijna vier decennia dus, telde links gemiddeld net iets meer dan 66 zetels. De grootste uitschieter naar boven was in 1998, toen de progressieven voor de eerste en tot nu toe enige keer precies de helft van de Tweede Kamer bezetten: 75 zetels. De enige uitschieter naar beneden was in 2002, toen niet meer dan 49 zetels behaald werden. Dat was het jaar van Pim Fortuyn.

In de Tweede Kamer hebben de vijf progressieve partijen in totaal 70 zetels, iets boven de natuurlijke sterkte dus. De opiniepeilingen geven geen grote afwijkingen te zien. In de Politieke Barometer (Nova/Synovate) staat links op 64 zetels, iets onder het aloude gemiddelde dus, en Maurice de Hond (peil.nl) belooft links 67 zetels. De virtuele opgang van de PVV heeft dus, anders dan bij de LPF het geval was, geen gevolgen voor de totale electorale kracht van links.

Anders ligt het als we naar de twee belangrijkste partijen van ruim-rechts kijken. Hoewel de idealen van CDA en VVD enorm verschillen – globaal gezien het onderscheid tussen het accent op de samenleving of het individu – vormen ze door een gedeeld mild anti-etatisme natuurlijke regeringspartners. Drie van de vier keer dat beide partijen sinds 1977, het jaar waarin het CDA voor het eerst één lijst vormde, boven de helft van het totale zetelaantal kwamen, vormden ze dan ook een coalitie. Alleen Ruud Lubbers koos in 1989 na een coalitiebreuk voor een uitzondering. Samen behaalden CDA en VVD in tien verkiezingen sinds 1977 gemiddeld ruim 72 zetels. Maar bij de laatste verkiezingen waren het er slechts 63, een dieptepunt. Virtueel is de toestand nu nog stukken ernstiger. De Politieke Barometer geeft de twee grote rechtse partijen 50 zetels en Maurice de Hond niet meer dan 45.

Het beeld is duidelijk: de PVV neemt met potentieel 26 of 28 zetels een grote hap uit het rechtse electoraat. Links daarentegen heeft per saldo nergens last van. Als er al mensen van links naar de PVV lopen, dan wordt dat kennelijk gecompenseerd door een even grote beweging in omgekeerde richting. Als de PvdA verkruimelt, dan is dat omdat ze in de klem zit tussen D66 en GroenLinks aan de ene kant en de reformistisch socialisten van de SP aan de andere kant.

Op dit moment zijn het vooral de eerste twee die groeien – juist die partijen die zich sterk tegen het populisme afzetten. De les voor de PvdA moet dus zijn dat ze niet moet proberen om mensen met populistische sympathieën te paaien. Een ferme, afwijzende houding zal beter werken.

Voor het aanzien van onze democratie komt het nu vooral aan op CDA en VVD. Rob Riemen, directeur van het Nexus Instituut, noemde Wilders onlangs een fascist. Hoewel hij historisch mogelijk een punt heeft, is het de vraag hoe productief een dergelijke typering is. Maar elke democraat zal beseffen dat het bestaan van de PVV een schandvlek voor ons bestel is. De ledenloze partij is ondemocratisch van opzet en de leider doet voortdurend absurde voorstellen – het verbieden van een boek, het uitzetten van miljoenen burgers uit Europa, een stigmatiserende belasting op kleding – die aangeven dat hij minachting koestert voor de democratische rechtsorde. Terecht ziet niemand er een verder gevaar in, omdat men wel beseft dat het om clownerie gaat, maar een politicus en een partij die niet serieus te nemen vallen, is ook ernstig. Hier gaat het om bewuste destabilisering van het democratische bestel.

Voortdurend zoeken de media naar de motieven van virtuele PVV-aanhangers. NRC Handelsblad deed dat eind september in het Weekblad. Het beeld is diffuus. Globaal komt het erop neer dat iemand iets gezien of meegemaakt heeft dat hem of haar niet bevalt, en daar ‘de politiek’ de schuld van geeft. De aandacht is te eenzijdig. Voortdurend is men op zoek naar de mogelijke grieven van de PVV-aanhangers. Maar daarbij ziet men het andere signaal over het hoofd: dat die zich uiten in steun voor een partij die geen constructieve oplossingen aandraagt. Zo’n kiezer wil kennelijk ook helemaal niet serieus genomen worden. Die doet maar wat.

Dat signaal moet serieuzer genomen worden dan het arsenaal aan verzamelde rancune. De ontevreden kiezer heeft een breed scala aan serieuze politieke alternatieven tot zijn beschikking. Die hoeft echt niet voor het nihilisme te kiezen. De bestrijding van het populisme is een gedeelde taak voor alle partijen, maar omdat het verschijnsel vooral ten koste van VVD en CDA gaat, zouden die twee het voortouw moeten nemen. En ze dienen de redeloze kiezer dan niet naar de mond te praten, maar hard te confronteren met diens onverantwoordelijke houding. Tegen de barbarij mag men de beschaving wel verdedigen.