Van Keulen effectief met kaalheid

Concert Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Lothar Zagrosek, met Detlef Roth, bariton. Werken van Mahler, Wolf, Van Keulen en Strauss. Gehoord: 12/11 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 22/11 14.15u.***

Een dichteres die applaus in ontvangst komt nemen na een première: het Concertgebouw beleefde donderdag een zeldzaamheid. De Fünf tragische Lieder (2007) van componist Geert van Keulen zijn gebaseerd op gedichten die Anna Enquist schreef na het overlijden van haar dochter als gevolg van een verkeersongeluk. Componist en dichteres namen samen applaus en bloemen in ontvangst.

Dat Nederlandstalige poëzie zich uitstekend leent om op muziek te zetten, bleek onlangs nog tijdens de (laatste) Nederlandse Muziekdagen, waar talloze Nederlandse dichters en componisten samenwerkten.

Vreemd genoeg dacht Van Keulen er anders over. Hij liet de gedichten van Enquist vertalen in het Duits. In die vermomming pasten de teksten waarschijnlijk beter in zijn muzikale idioom, dat nadrukkelijk reflecteert op de symfonische laatromantiek van Mahler.

Dat zit hem niet alleen in de klank, maar ook in de opbouw: de liedcyclus volgt de contouren van een symfonie, met een ritmisch en dialectisch eerste deel (Nirgends), gevolgd door een ‘sfeervol’ adagio (Bitte an den maler) en een grimmig scherzo (Preis die Höhe). Het vierde deel (Wanderung) is een vreemde eend in de bijt, met een ontregelende kaalheid waarin zelfs de zanger even uit zijn rol valt en begint te spreken - hier bijzonder effectief. Het vijfde deel (Spiel) rondt de liedcyclus-als-symfonie dan weer af met een spannend presto.

Nieuw voor het KCO waren de prima zingende bariton Detlef Roth en dirigent Lothar Zagrosek, in Duitsland een gelauwerde grootheid. Diens benadering van onder meer Richard Strauss’ Don Juan, op. 20 (1889) en Hugo Wolfs Penthesilea (1885) was vooral gericht op continuïteit. Door de wat hoge tempi en overwegend luide dynamiek kon de muziek te weinig ademen, en kregen details weinig ruimte om op te bloeien.

Dat gold ook in de orkestratie die Colin Matthews maakte van het eerste deel van het Pianokwartet waaraan een jonge, net studerende Mahler omstreeks 1876 begon. Matthews’ orkestratie - een KCO-opdracht - is soms wat aan de robuuste kant: een kleinere bezetting had wellicht meer eer gedaan aan de kamermuzikale oorsprong. De beste momenten klinken waar Matthews het klein hield, zoals bij de terugkerende pulsbeweging uit de originele pianopartij, nu prachtig toevertrouwd aan de klarinetten als begeleiding van een donkere cellomelodie.