Terug naar Turkije, maar dan?

Turkije is immigratieland geworden. Ook voor Turken uit Nederland, op zoek naar hun wortels, een carrière of een prettige oude dag. Maar daarmee zijn ze nog niet los van Nederland.

Allemaal kwamen ze terug uit Nederland. Eerste, tweede of derde generatie Turken. Hoogopgeleid of hoogbejaard. Ze staan aan het begin van hun carrière of ze zijn al jaren met pensioen. Allemaal hadden ze hun eigen redenen voor terugkeer naar het land van hun vaders. En allemaal komen ze maar niet los van het tweede moederland, Nederland.

De 72-jarige AOW’er Ibrahim Civan wil best over die tweestrijd praten, dat is niet het probleem. Maar zijn neus bloedt al twee dagen, onophoudelijk. „Ik moet naar het ziekenhuis’’, gilt hij in het Nederlands over de telefoon terwijl hij hoorbaar zijn neusvleugels dichtknijpt. Hij is op weg vanuit zijn geboortedorp Karadere, dat drie uur rijden ten zuiden van Istanbul ligt op het Anatolische achterland. „Er is gedoe met de Turkse arts. En er is gedoe met de Nederlandse verzekering’’, vat hij zijn leven tussen twee werelden haastig samen. „Kom maar gewoon langs.’’

Voor die lange reis naar Karadere eerst nog even bellen met het Turkse nummer van de 28-jarige Mine Önzöz. De mobiele telefoon blijft rinkelen. Dan een Nederlandse voicemail. „Het nummer dat u heeft gebeld wordt niet beantwoord. Probeert u het later nog eens.’’

Mine is alweer anderhalve maand in Nederland voor een project voor de gemeente Amsterdam, verontschuldigt haar zus Ebru later in een hippe bar in Istanbul. „Ze mist haar fiets, haar gracht, haar Amsterdam.’’ Ebru niet. Ze voelt zich als een vis in het water in Istanbul. „Ik zou hier mijn hele leven kunnen blijven’’, zegt ze. Vorig jaar begon ze met haar zus een communicatie -en evenementenbedrijf in Istanbul dat nu druk is met de voorbereidingen voor 2010 als Istanbul Culturele Hoofdstad. Een dansfeest hier, een Turkse Flamengogroep die in Nederland wil optreden daar. Istanbul is cool, vindt zij. Wie heeft Nederland nog nodig?

De zusjes Önzöz horen bij die groeiende groep hoogopgeleiden tweede generatie Turkse Nederlanders die terugkeerden naar het thuisland van hun ouders. Dat aantal verdubbelde in de afgelopen vijf jaar tot 678 berekende het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek. Allochtonen weerspiegelen daarmee de wensen van veel Nederlanders. Liefst 700.000 Nederlanders lopen rond met emigratieplannen, meest jongeren. Onder die groep is het aandeel allochtonen twee maal zo groot als autochtonen: 18 procent van voormalige immigranten of de kinderen van immigranten wil weg. Maar plannen maken is niet hetzelfde als doen. En wie werkelijk de stap neemt om terug te gaan, is daarmee nog lang niet los van Nederland.

Luister maar naar het gesprek tussen de meiden die met Ebru aan het eind van deze werkdag het glas heffen in café restaurant Otto in Istanbul. Geen van allen werkt voor een Turkse baas. „Wat denk je nou, dat ik voor 1.500 lira (700 euro) voor een baas ga werken die altijd gelijk heeft?’’, zegt Ebru. „Natuurlijk niet. De werkcultuur in Turkije is heel anders dan in Nederland, zeer hiërarchisch en daar kan ik echt niet meer mee omgaan. Ik wil hier alleen zitten als ik eigen baas kan zijn.’’ De vriendinnen knikken. „En je kunt ze hier echt niet vertrouwen.” Een vijfde vriendin, Gulten, keerde in september na drie jaar Istanbul terug naar Nederland. „Zo stom is het toch ook weer niet in Nederland´´, zegt ze vanaf haar Nederlandse 06. „Ik wilde op zoek naar mijn wortels, ik was benieuwd naar het land van mijn ouders. Maar toen ik er eenmaal was voelde ik met toch ook ineens heel erg Nederlands´´, zegt ze voor ze op moet hangen. „Ik zit in de trein. Ik kan nu niet praten.”

Vriendin Ebru Derin werkte tot voor kort voor een Nederlandse bank in Amsterdam en is het meest recent in Istanbul aangekomen. Aanstaande maandag begint zij bij haar nieuwe baas: een Nederlandse, die websites voor bedrijven maakt. Ook al is ze het meest uitgesproken over de reden waarom ze weg moest uit Nederland. „Ik was Nederland echt zat. Ik dacht: ‘ze bekijken het allemaal maar’. Ik heb daar al sinds elf september 2001 last van. Ik groeide op in Wapenveld, ik ging naar de zelfde school en dezelfde hockeyclub als mijn blonde vriendinnen. Mijn afkomst deed er eigenlijk nooit toe. Maar de afgelopen jaren krijg ik ineens vragen op feestjes over wat mijn mening is over aanslagen in het Midden-Oosten. Ik ben toch niet de voorzitter van een islamitische raad of zo? En als je vriendinnen dan ineens zeggen dat ze op Wilders stemmen, ja dan begin je toch achter je oren te krabben.’’

Haar keuze klinkt politieker dan die werkelijk is. Het politieke klimaat is voor de meeste tweede generatie Turken een éxtra reden om Nederland te verlaten, niet de doorslaggevende. Booming Turkije biedt voor hoogopgeleide Turken opgegroeid in Nederland een uitgelezen carrièrekans. Na het herstel van het economische rampjaar 2001 groeide de Turkse economie jaarlijks met 5 tot 6 procent, een hoogvlieger vergeleken met West- Europa. Aan meertalige werkkrachten is een schreeuwend tekort. „Ik ben gewild’’, zegt Ebru. „Dit land is in ontwikkeling en heeft mensen nodig die de contacten met het buitenland kunnen onderhouden. In Nederland is er een glazen plafond voor allochtonen. Ik vrees dat ik daar niet zo ver zal komen als hier. In Turkije kun je als je je hoofd gebruikt heel ver komen. Dit is een land in ontwikkeling. Dat voel je aan de energie in deze stad.” Haar nichtje Aygul Sonkaya beaamt dat. Zij verhuisde al in maart 2008 naar Istanbul. „Geweldig, de beste keus in mijn leven. Er is hier veel meer mogelijk, dit land is in beweging. Alleen de bureaucratie hier is killing. In Nederland schrijf je je in bij de kamer van koophandel en de belastingsdienst en je kunt aan de slag. Hier ben je maanden bezig.”

In de afgelopen dertig jaar veranderde Turkije van een emigratieland naar immigratieland en trekt het nu jaarlijks tienduizenden migranten. Die verschuiving is ook te zien aan de aantallen Turken die naar Nederland vertrekken. In 1980 waren dat 17.000 Turken, nu niet meer dan twee tot drieduizend. Die dalende lijn van Turkse emigranten loopt omgekeerd evenredig aan de economische groei van Turkije.

President Turgut Özal plaveide vanaf eind 1989 toen hij aantrad de weg voor een meer open en neoliberale economie in Turkije. Hij sloeg bruggen naar Europa en het Midden-Oosten. De huidige AK-regering van premier Erdogan is de afgelopen maanden druk bezig die rol van regionale reus verder uit te bouwen door parallel aan het toetredingsproces met de Europese Unie de banden aan te halen met de buurlanden in het Midden-Oosten en de Kaukasus.

Dat proces gaat niet voorbij aan de geboorteplek van AOW’er Ibrahim Civan, het dorpje Karadere in Anatolië. De groei van steden als Istanbul, nu 17 miljoen inwoners, zoog het Turkse platteland leeg. Karadere ligt in die leegte. Tractoren trekken er lange banen met hun ploegscharen om de akkers klaar te maken voor de winter. Hier en daar een hoeve. Hier en daar een minaret. Ibrahim Civan is net teruggekeerd van het ziekenhuis in de dichtstbijzijnde stad Adarpazari. De doktoren gaven hem medicijnen, maar die stoppen het bloeden in zijn neus niet. „,Adertje gesprongen’’, zegt hij, terwijl hij zijn zakdoek onder zijn neus houdt. Zijn jas zit onder de vlekken.

Karadere is geen dorp voor jongeren. Civan besefte dat al in 1963, toen hij hier wegtrok om in de mijnen in België te werken. „Dat was zwaar werk. De hele dag onder de grond, en je gezicht onder de zwarte kolen’’, lacht hij terwijl zijn vrouw aanmaakkoffie met biscuitjes op tafel zet. Een jaar later vond hij werk bij een fabrikant van olievaten in het Nederlandse Loenen aan de Vecht. Dat was het bedrijf waar hij 45 jaar later de 650 euro AOW aan te danken heeft die hij maandelijks ontvangt. In 2001 besloot hij terug te gaan Karadere om in Turkije van zijn Nederlandse oudedagvoorziening te genieten. „Nederland was vroeger een heel goed land. Maar de laatste jaren is het een beetje in de war geraakt. Met al die Antilianen, Surinamers en Marokkanen op straat die de meisjes nafluiten of je tas pakken. Geld verdienen zonder werken. Vroeger, ja vroeger was Nederland leuk.’’ Zijn vrouw knikt. „Nederland was een heel mooi land.’’ Ibrahim Civan onderbreekt: „Die man met dat gele haar, hoe heet hij, Wilders. Ik vind het prima wat hij zegt. Alleen onze profeet belachelijk maken, daar houd ik niet van. Wij moslims dragen de bijbel toch even dicht bij het hart als de koran.’’

Het aantal AOW’ers dat buiten de landsgrenzen de Nederlandse uitkering ontvangt is volgens berekeningen van het CBS de afgelopen tien jaar explosief gestegen. Een op de tien AOW’ers woont nu in het buitenland. Tien jaar geleden was dat nog een op de vijftien. De grootste groep bestaat uit Nederlanders in België (42.000) en Spanje (55.000). Het aantal AOW’ers in Turkije (19.000) en Marokko (11.000) is nu ruim 3,5 keer zo hoog als tien jaar geleden.

Ibrahim Civan keerde terug naar Turkije voor een heimelijke herstart van zijn carrière. Hij runt nog vier winkels en beheert 50 hectaren waar hij populieren kweekt voor de houthandel. „Vroeger was ik arm maar nu ben ik rijk’’, lacht hij en slaat vriendschappelijk de hand op de schouders. Maar ook hij heeft Nederland niet voorgoed verlaten. Volgende maand keert hij terug naar Hilversum voor zijn jaarlijkse overwintering, van december tot maart. „Daar wonen mijn kinderen en mijn kleinkinderen. Nee, ik wil niet dat zij naar Turkije komen. Er is hier niks voor hen te halen. Het is beter als ik op en neer ga naar Nederland, jullie doktoren zijn beter.” „En de verwarming”, vult zijn vrouw aan. „In Holland is de kachel lekker aan.”

Neef Mustafa komt binnen. Hij groet met een hartelijk „goedenavond”. 45 is hij, geboren in Nederland en oud Mavoleerling. In 1983 werd hij door zijn vader teruggestuurd naar Turkije. „Om voor de koeien te zorgen.” Een echte baan heeft hij in Turkije sindsdien nooit meer gevonden. Hij raapt walnoten en zorgt dat het maïs op tijd van het land komt. „Ik wil terug naar Nederland maar ik krijg geen visum. Mijn zussen en mijn broertje zijn in Nederland. In 2002 vertrok ook mijn vrouw met de kinderen. Ze komt alleen in de zomer nog hier.”

Ibrahim Civan haalt zijn verzekeringskaart uit zijn broek en laat de naam van de Nederlandse zorgverzekeraar zien die hem al meermalen in Nederland het leven heeft gered. „Als je ze belt dan is de dokter er binnen een kwartier.” Straks gaat hij inpakken voor de overwintering in Nederland. Een dag voor Sinterklaas vertrekt hij. Dan zal Mustafa op zijn populieren passen. „Inpakken voor pakjesavond’’, grinnikt hij.