Robert Enke

Zondag wordt afscheid genomen van Robert Enke. In en rond het stadion van Hannover 96 worden 100.000 rouwenden verwacht. De voorbije dagen leek het of de hele Duitse natie in het hart was getroffen door de zelfdoding van de doelman. In alle voetbalsteden hing de vlag halfstok. Kranten leverden de voorpagina uit aan de dood. Angela Merkel schreef een brief van innige deelneming aan de weduwe. Interlands werden afgelast. In Duitsland hoorde je niemand nog over de Mexicaanse griep.

Robert Enke: vanuit een diepe depressie voor een trein gesprongen. In de bloei van zijn leven. Met uitzicht op het WK in Zuid-Afrika, als international. Thuis een liefhebbende vrouw en een geadopteerde dochter. En ook nog acht straathonden uit Tenerife, die hij had meegebracht voor een liefdevol bestaan.

Toch was het leven te zwaar om dragen.

Tien jaar was hij topsporter met status, in Duitsland, Turkije en Barcelona, en bij Die Mannschaft. Tien jaar in een hel van juichkreten en gezangen, van hymne en gebed. En niemand die zijn stilte hoorde. De eenzaamheid van de doelman: het is een van de vele clichés in de sportliteratuur. Maar ook een cliché kan mombakkes van de werkelijkheid zijn. Ik ken alvast geen keeper die lachend tussen de palen staat. Een middenvelder wil nog weleens een grapje maken met de scheidsrechter of met het publiek. Meestal bestudeerde grimassen. Een spits is vaak alleen maar theater. Maar een doelman met een knipoog? Hans van Breukelen en Edwin van der Sar zouden niet eens weten hoe dat moet. Dino Zoff: oorwurm tussen de palen.

Keepers worden gevreesd en gerespecteerd, maar zelden gekoesterd. Helden met afstandsbediening. Zelf zijn ze ook gebouwd op gereserveerdheid. Ik heb nog nooit een keeper in de armen van een coach zien springen. Het is altijd een beetje alsof ze na de wedstrijd staan te juichen in een ander land. Of toch in een land met ander licht. Ze blijven afstand houden in de broeierige omhelzing. Kussen kunnen ze ook niet. Toen Edwin van der Sar, na de finale van de Champions League, zijn zoontje op de arm nam, schrok ik zelfs van zoveel onverwachte innigheid. Van sommige spelers weet je dat ze van hemelbed naar hemelbed dansen, maar dat Van der Sar een privéleven heeft, is nooit in de gedachten opgekomen. Niet eens in verbeelding.

Doelmannen zijn ontbladerde wezens.

Er wordt altijd wat lacherig gedaan over de druk die voetballers moeten doorstaan. Hoezo druk? Zie ze komen aanrijden in hun limousines. Zie de babes die de heren begeleiden in hun gang van koffer naar hotel. Hoor hoe hun moeders thuis eieren bakken, in de nederigheid van een klokhen. En zie hoe rappers zich schurken aan de status van gestileerde vervreemding. Het zal wel.

Maar toch.

Voetballers zijn eenzaam. Keepers al helemaal, maar zij laten alles wat metafysica is graag over aan anderen. In het beste geval aan hun vrouw. Een psychiater komt er bij een keeper niet in. Zijn machismo is: een onbenoembare ruimte, netten. En ja, ook nog vijandige koren achter zijn brede rug. Maar niet dat je zegt: valt er nog iets te praten? Is er oud zeer? Red je het wel met een stille binnenkant? Keepers zijn geoefend in een ijselijke surplace van het publieke bestaan.

Van voetballers weet je: eigenlijk fragiele delinquenten. Wesley Sneijder met zijn vrouwenkwesties: alla! Maar de heren Van der Sar, Stekelenburg en Enke zijn geacht geraamte te blijven van ons diepe zelf. Stillevens, desnoods, die een groep compleet maken. Zonder tekst, zonder misbaar. Staketsels of krukken van een verlangen, met pet.

Robert Enke zat iets fragieler in elkaar. Hij was, wat keepers zelden zijn: van de maatschappij. Hij streefde naar geluk, naar een samenleving die van onderkant bovenkant kon maken. Hij koos voor vervreemding van het grauw. Dat moet je niet willen, als keeper. Dan loei je jezelf voorbij.

Ik ben blij met Robert Enke. En met zijn vrouw Teresa. Beslist geen blondine voor tribunes. Nu dan weduwe van een schim. Zij weet wat niemand weet, zij treurt om een dode die, het collectief rouwen ten spijt, niet de aflijvige van de Bundesliga zal zijn. Zij rouwt om één man. Robert Enke was altijd van zichzelf en de voile om hem heen. Helaas in ongekende wanhoop.

De psychiater, Bram Bakker, zei me dat stress in de sport een ondoorvoelde kwaal is. Faalangst is een gewetenscategorie.

Graag, maar doe mij toch maar de innerlijke schoonheid van Van der Sar. Rouw is voor thuis, niet voor een stadion.