Noodzakelijke onzinkennis

Mathematici, Afrikaanse vertellers, goochelaars en chef-koks presenteren op TED.com hun ideeën. ‘Trivia die het geweldig doen tijdens etentjes.’

Kelly wist dat ze een beloning kreeg als ze zwerfvuil ophaalde en aan de opziener gaf. Haar collega’s wisten het ook. Maar Kelly bedacht een variatie: als ze zwerfvuil vond, zeg maar een flink stuk papier, bewaarde ze dat ergens onder een steen totdat de opziener kwam. Dan scheurde ze een klein stukje van het papier, gaf het aan de opziener en nam haar beloning in ontvangst. Vervolgens scheurde ze nog een stukje papier en kreeg weer een beloning. En nog eens. Kelly, is de conclusie, heeft een besef van de toekomst. Ze heeft geleerd om te ‘sparen’, een van de interessantste vindingen van samenlevingen. En o ja, Kelly is een dolfijn.

Op deze manier zou Peter Schat, de inmiddels overleden Nederlandse componist, het hebben verteld. Ik kende hem via een vriend en ik ontmoette hem een paar keer in Tisfris, een koffiehuis in Amsterdam vlakbij het Waterlooplein, waar hij in de vroege ochtend zijn buitenlandse kranten las. Onzinkennis, zoals hij het noemde, is noodzakelijk voor de beschaving. Nuttige trivia die kunnen leiden tot een hoger inzicht. Zoals in het voorbeeld van Kelly: het verhaal van een slimme dolfijn in een groot bassin dat leidt tot een notie van spaargedrag. Op lerarenopleidingen zeggen ze het ook: kom eerst met allerlei gekke voorbeelden, feitjes, wederwaardigheden en observaties, en knoop ze dan tot een overkoepelend ‘begrip’. Zo leren kinderen wat abstracties zijn, zo leren ze academisch denken.

De kunst is om die nuttige trivia te vinden en te memoriseren. Ik noem ze overigens geen trivia meer, ik noem ze Peter Schatjes. En ik heb gemerkt dat Peter Schatjes het geweldig doen tijdens etentjes, ze vormen de voorwaarden voor goede dinner talk, want wat gebeurt er meestal tijdens zo’n maaltijd? Men bespreekt het nieuws van de dag, nieuws dat iedereen heeft gelezen of gehoord, en als het gelijkgestemden zijn, wat bij etentjes vaak het geval is, zijn de resulterende meningen en gevolgtrekkingen ook min of meer dezelfde. Saai. Kom met iets verrassends, zoals Peter Schat zou doen. Op een ochtend zei hij: „Van alle tegennatuurlijke producten, je weet wel, zweet tegenhoudende deodorant, strakke herenonderbroeken, zijn sportschoenen met luchtkussentjes in de zolen het ergst”.

Nikes Air waren inderdaad erg in de mode in die tijd, begin jaren negentig, maar hoezo? „Hoe rennen we? We spannen onze billen, daar zijn ze voor. Maar de essentie zit in de voeten. Bij chimpansees is de grote teen lang en zijwaarts gericht, om zonder te bukken vruchten te kunnen oprapen. Die van ons is kort en recht. Wij zijn jagers, wij moeten dus goed kunnen rennen, en bij het rennen gebruiken we die teen om ons af te zetten. Het geeft ons net dat beetje veerkracht om een marathon af te leggen. En wat doet men? Men geeft ons schoenen met luchtkussens, waardoor die grote teen zijn functie verliest. Duizenden jaren evolutie, in één klap naar de bliksem. En je reinste oplichterij bovendien.”

Heel veel later las ik een soortgelijke theorie over het langeafstandslopen op de website van The New York Times, maar Peter Schat haalde stukjes en beetjes die her en der verborgen waren uit bijlagen en wetenschapskaternen van Franse, Duitse en Engelse bladen en knoopte ze zelf bij elkaar. Wij hebben tegenwoordig al dat speurwerk in dikke pakken papier niet meer nodig. Wij vinden onze nuttige trivia via het internet, en een van de nuttigste bronnen is TED.com.

Ik denk niet dat de jongens van TED dit een aardige kwalificatie zullen vinden. Zij doen niet aan Peter Schatjes, zij doen aan „ideeën die het waard zijn te worden verspreid”, met als ultiem doel de wereld te veranderen. Ik vind dat behoorlijk zwaar op de hand.

TED begon ergens in de jaren tachtig als een conferentie over Technologie, Entertainment en Design in het Californische stadje Monterey met 30.000 inwoners, bekend om een zeeaquarium, een jazzfestival en relatief veel blowende kunstenaars. Het succes van de conferenties was zo groot dat ze moesten verhuizen naar Long Beach, nabij Los Angeles. Toen kwam het grote kapitaal erop af, in de persoon van de Brit Chris Anderson, die het concept opkocht. Deze Anderson is een sprookjesfiguur: als gastheer van de jaarlijkse bijeenkomsten verschijnt hij steevast in afgedragen poloshirts, kakibroeken en gympen, maar schijn bedriegt. Hij groeide op in Pakistan en India, studeerde filosofie in Oxford en begon een uitgeverij voor hobbytijdschriften, Future Publishing, wat enigszins escaleerde, want eind jaren negentig hadden zijn blaadjes een gezamenlijke jaaromzet van twee miljard dollar. Hij verkocht zijn handel en ging zich fulltime bezighouden met TED, dat hij vooral uitbouwde voor het internet. In april dit jaar was TED.com honderd miljoen keer bezocht door vijftien miljoen mensen.

Het hoort niet te werken, maar het werkt wel, staat er op de site, en inderdaad, het hoort niet te werken. De presentaties worden gehouden door de meest uiteenlopende talenten, van mathematici tot Afrikaanse vertellers, van goochelaars tot chef-koks, van liefde predikende theologen als Karen Armstrong tot woest om zich heen slaande atheïsten als Richard Dawkins, van Bill Gates tot Bill Clinton, en alles er tussen in.

Een keer zag ik een vrouw een theremin bespelen. Pamelia Kurstin, nooit van gehoord – een beetje wikipedia zou me hebben geleerd dat ze 33 is, in Wenen woont en wereldfaam geniet. Gelukkig legde ze uit wat een theremin is: je hebt twee antennes en je hebt je twee handen, met de ene bepaal je de toonhoogte en met de andere de geluidssterkte door ze dicht bij of verder van de antennes te houden. Giechelend demonstreerde ze het, waarbij ze het geluid maakte dat in veel spookfilms wordt gebruikt om het spook aan te kondigen. Okay, dat is geen kunst, dat is een kunstje, maar niet als je door TED bent uitgenodigd: met de precisie van een begaafde violiste speelde ze ‘Autumn Leaves’, wat na een druk op een knop over ging in de plukkende contrabas van een virtuoze jazzmuzikant. Toen het applaus was weggeëbd, giechelde ze weer: het enige nadeel van dit instrument, zei ze, is dat je niet eerst een wijntje moet hebben gedronken.

Goed, hier heb je niets aan tijdens een etentje, tenzij er naast de schaal met de fazant een laptop staat, wat doorgaans niet het geval is. Maar Pamelia Kurstin is een atypisch voorbeeld van wat er op de TED-conferenties gebeurt. Het zijn meestal wel Peter Schatjes en mijn absolute favoriet is het optreden van Malcolm Gladwell, die laatst de cover sierde van De Groene Amsterdammer (nummer 44). Op het toneel stond een magere man in een iets te ruim colbert, jeans en bruine schoenen. Maar wat opviel was zijn haar: een grote, slecht onderhouden afro, wat volgens De Groene opzet is, omdat men hem dan minder makkelijk vergeet. En Gladwell, die gevraagd was om te spreken over geluk, begon plompverloren over spaghettisaus. Hij kende een zekere Howard Moskowitz. Gladwell: „Howard is een psychofysicus en ik heb eerlijk gezegd geen idee wat dat is. Hoewel, ooit had ik twee jaar een verhouding met een vrouw die zou promoveren in de psychofysica. Dat zegt misschien iets over de aard van die relatie.”

Howard deed voor verschillende voedingsfabrikanten onderzoek naar wat mensen het lekkerste vinden. Cola, saus, mosterd, koffie, van alles. Vooral de saus kreeg van Gladwell ruime aandacht. De Amerikaanse firma Cambell Soup kwam naar Howard en vroeg hem te onderzoeken welke spaghettisaus de mensen het lekkerste zullen vinden: dun, dik, zuur, zoet, glad of met brokjes vlees en tomaat. Howard probeerde ze allemaal uit op focusgroepen en proefpersonen en het onderzoek leverde van alles op, behalve de ideale spaghettisaus.

Malcolm Gladwell geniet zichtbaar van zijn presentatie. Hij loopt op en neer met zijn speldmicrofoontje aan zijn hemd, de camera houdt hem met grote moeite in het midden van het beeld, hij gebaart met zijn handen, verspreekt zich een enkele keer, corrigeert zich, en het verhaal wordt almaar vuriger. Waarom? Om te eindigen in het zand, zonder punchline? Een onderzoek dat niets opleverde? Maar het leverde wel iets op, en hierdoor wordt het spaghettisausverhaal een Peter Schatje: Gladwell zegt dat het onderzoek van Howard iets heel belangrijks heeft aangetoond. Namelijk dat er niet zoiets bestaat als een universele smaak. Sommige mensen houden van dunne saus, andere van dikke, weer andere van gladde of met brokjes, smaken verschillen zoals mensen verschillen en de mensheid is het meest gediend met… diversiteit.

Zie daar, Malcolm Gladwell, de zoon van een Jamaicaanse vrouw en een Britse man die opgroeide in Canada en nu in New York woont. Hij heeft zijn punt gemaakt en hij krijgt een staande ovatie van de mensen in de zaal, die hun toegangskaartje een jaar van tevoren hebben gereserveerd en er vijfduizend dollar voor hebben betaald. Die Chris Anderson verbetert de wereld, en hij begint bij zichzelf.

Het hoort niet te werken, maar het werkt wel, zoals de website zegt, en waarom werkt het? Omdat TED de vertelkunst heeft herontdekt, of op zijn minst op een hoger plan gebracht. Hoeveel van ons bewaren mooie herinneringen aan de hoorcolleges van onze studietijd? Ik had een hoogleraar die strak voor zich uitkijkend de honderdvijftig pagina’s dikke syllabus reciteerde, een syllabus die we op ons tafeltje hadden liggen. De man vergat geen woord, geen bijzin en zelfs geen voetnoot. Dat was een kunstje, maar het was geen kunst. Andere docenten bereidden zich niet voor, ze begonnen met een stelling en waren die tegen het eind glad vergeten. Sommigen wisten niet om te gaan met de microfoon, geen enkele gebruikte de handen. Er was geen overtuigingskracht, geen hartstocht, geen drama, want wetenschap was een droge bedoening, een straf in plaats van een feest.

Wat je op TED.com telkens ziet, in de meer dan vijfhonderd talks, is de terugkeer van gevoel voor tijd, ritme en opbouw. Het onderwerp is niet van belang, want waarom zou je ineens warm lopen voor klassieke automodellen, de bereiding van ganzenlever, leven op Mars, de kunst van origami, de dyslexie van Richard Branson, de waarde van geïnformeerd optimisme, de zoektocht naar donkere materie, een ziekenfonds voor Rwanda, de geboorte van de computer, het bedrog van antidepressiva, de overwinning van de zwaartekracht door gekko’s, de bestrijding van armoede met mobiele telefoons, de filmindustrie van Nigeria, de redding van de aarde met paddenstoelen en schimmels, ho, ho, bent u er nog?

Het is dus niet het onderwerp waar het om gaat bij TED, maar de presentatie, het zonder gebruik te maken van papier kunnen vertellen van een verhaal in niet meer dan achttien minuten. Het gaat om de structuur, de geestigheid, de spanning, de soms wilde aannames en de al te grote conclusie. De mensen die naar de TED-conferenties komen zijn rijk, slim en veeleisend, en niet zelden begint de spreker zich te verontschuldigen voor zijn nervositeit, hoe beroemd hij of zij ook is. Hij heeft hiervoor moeten oefenen voor de spiegel, met een stopwatch, net als een toneelspeler heeft hij zich zijn tekst eigen moeten maken – een heel andere rol dan rustig achter de computer in een stille studeerkamer.

Het is schitterend dat de spreekbeurten nu gratis door iedereen op het internet te volgen zijn, het is mooi dat de conferenties nu niet alleen in Amerika worden gehouden, maar ook in Engeland en India en zelfs in Amsterdam, op 20 november. Het is alleen jammer dat wij als publiek veroordeeld zijn tot passiviteit. De sprekers houden hun praatje, soms komt Chris Anderson nog het podium op met een dankwoord en het verzoek om een kleine toelichting, waarna het licht uitfloept. Alsof de technologie nog geen interactie toelaat, alsof we niet via e-mail of een chat-programma om een verduidelijking kunnen vragen of op een denkfoutje kunnen wijzen. Wij als websitebezoekers niet, en de aanwezigen in de zaal ook niet, hoeveel ze ook voor hun kaartje hebben betaald. Het publiek wordt vermaakt, maar ook een beetje veronachtzaamd, als een ietwat hinderlijke bijkomstigheid weggezet.

Maar goed, ik onthoud de kernpunten, de grappen en de opbouw en oefen het eerst op mijn kinderen. Als ze ook maar enigszins geïnteresseerd blijven luisteren, heb ik mijn Peter Schatje gevonden en ben ik gewapend voor mijn dinner talk. Als er spaghetti wordt geserveerd, kan mijn avond natuurlijk niet meer stuk. <

Zie www.nrc.nl/nrcweekblad voor links naar genoemde filmpjes