Met afwijzen van gezag komt vrijheid in het gedrang

Gezag staat dezer dagen slecht aangeschreven. Het is mode om het te ontmaskeren, of het nu gaat om politici, leraren, ouders, priesters of artsen. Maar zonder erkenning van moreel gezag zijn we veroordeeld tot steeds meer regels en procedures. En dat bedreigt juist onze vrijheid.

Hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Kent, Groot-Brittannië. Auteur van onder meer ‘Culture of Fear’ (1997), ‘Paranoid Parenting’ (2001), ‘Therapy Culture’ (2004), ‘Invitation to Terror: The Expanding Empire of the Unknown’ (2007) en ‘Wasted: Why Education is not Educating’ (2009).

De samenleving van de 21ste eeuw heeft een stroeve verhouding met gezag. Doorlopend staan we voor de vraag: ‘Wie is te vertrouwen?’ Steeds vragen mensen: ‘Wie heeft het gezag?’, ‘Wie voert het gezag?’, ‘Wie kan met gezag spreken?’ of ‘Op wiens gezag handelt u?’ Elke onenigheid rond een tegenslag – een griepepidemie die op uitbreken staat, een milieuprobleem, een natuurramp, een ongeluk, een financiële crisis – schept de vraag naar gezaghebbende oplossingen. Maar deze wens tot gezaghebbende antwoorden valt samen met een culturele gevoeligheid die diepe argwaan koestert jegens de uitoefening van gezag. Die ontwikkeling is opvallend bij problemen in de relatie tussen de generaties. De maatschappij verwacht van ouders en leraren dat zij jonge mensen met gezag tegemoet treden, maar diezelfde maatschappij wekt tegelijkertijd vaak de indruk het volwassenen niet helemaal toe te vertrouwen om kinderen verantwoord discipline bij te brengen.

Het gezag staat dezer dagen zeer slecht aangeschreven. Het is mode om het te ontmaskeren. Wie een positie met verantwoordelijkheid en macht bekleedt – politici, ouders, leraren, priesters, artsen, verpleegkundigen – wordt voortdurend ‘betrapt’ op het misbruik van zijn gezag. Het gemakkelijke verband dat wordt gelegd tussen de term ‘gezag’ en ‘misbruik’ is symptomatisch voor de onvrede in de westerse samenleving over de zogeheten gezagsdrager. De indruk bestaat dat we tegenwoordig veel meer in staat zijn het gezag te demoniseren dan het te bevestigen. Daardoor aarzelen zelfs degenen die officieel het gezag hebben openlijk over de vraag of ze hun invloed zullen doen gelden. In tal van bedrijven en openbare instellingen zijn mensen op verantwoordelijke posten vaak maar al te zeer bereid om het gezag aan adviseurs en deskundigen uit te besteden. Ook overheden ‘delen’ het gezag graag met zogenaamd onafhankelijke organen van deskundigen (centrale banken), internationale instellingen (de Europese Commissie) en andere organisaties van derden.

Wat is nu eigenlijk gezag? Hannah Arendt, een van de belangrijkste politieke filosofen van de 20ste eeuw, was van mening dat „gezag voor zover het gedefinieerd hoefde te worden, enerzijds met dwang en anderzijds met overreding door argumenten gecontrasteerd diende te worden”. Zo bezien is gezag niet tot een machtsverhouding te herleiden. Overheden die iets afdwingen dankzij machtsuitoefening, vestigen ongewild de aandacht op hun onvermogen om met gezag te handelen. Gezag kan ook niet eenvoudig op overreding vertrouwen om publieke steun voor een bepaald doel te verwerven. Overreding door debat veronderstelt een gelijkwaardige verhouding tussen concurrerende, maar gelijke partijen. Het gebruik van dwang en overreding is volgens Arendt symptomatisch voor gedrag zonder gezag. Ze schrijft dat een „vader zijn gezag kan verliezen door zijn kind te slaan of door ermee in discussie te gaan, oftewel door zich als tiran te gedragen of het kind als gelijke te behandelen”. Als gezag dus dwang of overreding toepast, moet het impliciet toegeven dat het geen vertrouwen meer heeft bij degenen die het wil beïnvloeden.

De verwarring van macht en gezag is te begrijpen, omdat macht zonder gezag haar betekenis verliest en moeilijk meer is uit te oefenen. Gezag geeft macht betekenis. Aangezien betekenis wortelt in cultuur en moraal, kan het niet kunstmatig geproduceerd worden. Daarom hebben zoveel pasgevormde instellingen en conventies met betrekking tot het multiculturalisme, de EU of het persoonlijk leven, weinig feitelijk gezag.

De aandacht voor gezag is zo oud als de geschiedenis van de mens zelf. Het thema speelde in de Hof van Eden, waar Adam en Eva de zonde begingen om Gods gezag te tarten door ongehoorzaam aan zijn heerschappij te zijn. De Bijbel gaf mensen voortdurend de opdracht het gezag zeer ernstig te nemen. „Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen”, verkondigt Romeinen 13:1, alvorens daaraan toe te voegen dat „want is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd”. Zo bezien dient letterlijk elk gezag te worden gehoorzaamd, omdat het vermoedelijk door God is ingesteld.

Veel invloedrijke Griekse mythen en verhalen zijn te lezen als pogingen om te reageren op tegenstrijdige gezagsaanspraken. De Ilias van Homerus begint met de kritiek van Achilles op het gezag en het leiderschap van Agamemnon. Nestor, de oude koning van Pylos, probeert vrede tussen de twee rivalen te stichten door op grond van zijn gezag als oudere eerbied van hen te eisen. In de Oudheid waren de meeste vormen van gezag nauw verbonden met het gezag van ouderen. Het is daarom niet verwonderlijk dat Nestor zegt: „Luister naar mij, want jullie zijn beiden jonger dan ik.” Het is tekenend dat ook Agamemnon zich op het gezag van de ouderdom beroept en eist dat Achilles zich aan hem onderwerpt, want: „Ik ben koninklijker en ik verklaar dat ik ouder in leeftijd ben.” Anderen maken aanspraak op gezag vanwege hun heldendaden op het slagveld. Maar het conflict wordt opgelost door nog eens de noodzaak van een vorm van collectief gezag te bevestigen. Odysseus verwoordt dit heel welsprekend als hij de vergadering probeert te overtuigen van de noodzaak zich aan het gezag van het koningschap te onderwerpen. „Wij Achaeërs heersen hier zeker niet allen als koningen”, betoogt hij. Volgens Odysseus „is het leiderschap door velen geen goede zaak’ en moet er daarom ‘één leider zijn’”.

De waarschuwing van Odysseus voor de gevaren van het ‘leiderschap door velen’ werd later uitgewerkt in de denkbeelden van de Griekse filosofen. Vooral Plato werd geobsedeerd door een toestand die hij als ‘anarchie’ kenschetste en waarin de grenzen van het gezag vervaagden, met als gevolg politieke instabiliteit en cultureel verval. Deze maar al te moderne zorg om de gevaren verbonden aan het ‘verlies van gezag’ was een thema dat ook tot de verbeelding sprak van de denkers in het oude Griekenland en Rome.

De westerse samenleving heeft een dubbelzinnige houding tegenover gezag en gezagsuitoefening. De hedendaagse westerse samenleving is zelf het product van een opstand tegen het traditionele gezag. In de 18de eeuw vergde het streven naar vrijheid verzet tegen het gezag van Kerk en Staat. Sindsdien is het ter discussie stellen van het recht dat het traditionele gezag mag bepalen hoe mensen hun leven leiden, een wezenskenmerk van de moderne cultuur geworden. Bovendien wordt de uitoefening van gezag als zodanig steeds meer als een inbreuk op de individuele vrijheid beschouwd. Sinds de traditionele vormen van gezag worden aangevochten, worden ook alle andere vormen betwist en soms als willekeurig gehekeld. Veel mensen zijn gezag per definitie als de tegenpool van vrijheid gaan beschouwen, en de beperking van de rol ervan wordt als doelstelling gezien van bewegingen die voor de uitbreiding van democratische rechten strijden. Een gevolg van deze ontwikkeling is dat vaak elke vorm van gezag met argwaan wordt bezien.

Achteraf beschouwd heeft de uitholling van het traditionele gezag veel positieve gevolgen gehad. Het gezag heeft minder ruimte om willekeur te bedrijven – het moet zich voor zijn daden verantwoorden. Het betwisten van de morele codes gaf sommige mensen de vrijheid om hun eigen weg in het leven te gaan en nieuwe kansen te grijpen die een veranderende wereld bood. Zoals Hannah Arendt stelde: „Met het verlies van de traditie zijn we de draad kwijtgeraakt die ons veilig door het uitgestrekte rijk van het verleden leidde, maar die draad was ook de ketting waarmee elke volgende generatie aan een voorbeschikt aspect van het verleden vastgeketend was.” Het traditionele gezag stond zeer vijandig tegenover verandering en nieuwe denkbeelden. Het moest door democratische krachten worden aangevochten om de maatschappij in staat te stellen de mogelijke voordelen van verandering te verwezenlijken.

Maar het verzet tegen de traditie heeft niet altijd alternatieven weten te ontwikkelen die stroken met het hedendaagse streven naar een zinvol en vrij leven. De huidige samenleving kan niet alleen moeilijk overweg met het traditionele gezag, maar ook met het hele idee van gezag. Termen als gezag, autoriteit en autoritair worden vaak gebruikt op een manier die een negatieve bijklank heeft.

De progressieve kritiek op traditie en gezag, ingegeven door de Verlichting, heeft plaatsgemaakt voor een vorm van kritiekloze veroordeling. In de 21ste eeuw worden niet alleen de willekeurige tradities betwist die zijn overgeleverd uit het verleden, maar ook de status van de intellectuele en culturele verworvenheden van vroegere generaties. Het mag weleens gezegd worden dat ook het pleidooi van de Verlichting voor kritisch onderzoek met behulp van de rede, zelf een erfenis is die moet worden gekoesterd. Het is een vorm van traditie, maar die moet wel door verdere kennisontwikkeling, en niet als geloofsartikel worden hooggehouden.

Al in de jaren 50 wees Arendt op een ingrijpende ontwikkeling, namelijk de ‘geleidelijke afbraak van de enige vorm van gezag’ die voorkwam in „alle van oudsher bekende maatschappijen: het gezag van ouders over kinderen, van leraren over leerlingen, en in het algemeen van de ouderen over de jongeren”. Ze merkte op dat deze vorm van gezag, „die evenzeer werd gedicteerd door een natuurlijke behoefte, de hulpeloosheid van het kind, als door politieke noodzaak”, altijd door de samenleving was aanvaard. Maar ze voegde daaraan toe: „Onze eeuw is de eerste waarin dit geen verpletterend plausibel argument meer is, en ze verkondigde haar anti-autoritaire geest nog radicaler toen ze de emancipatie van de jeugd als onderdrukte klasse beloofde en zich de ‘eeuw van het kind’ noemde.”

Dat het gezag ook al sterk wordt betwist in het dagelijks leven, blijkt uit de voortdurende felle discussies over onderwerpen als opvoeding, gezondheid, levensstijl en benadering van persoonlijke relaties.

De uitgeholde legitimiteit van het gezag heeft veel ouders en leraren hun zelfvertrouwen in de omgang met de jongere generatie ontnomen. Ze krijgen keer op keer te horen dat hun gezag op achterhaalde uitgangspunten berust en dat het hun ontbreekt aan de deskundigheid die hun rol vereist. In het besef dat ze moeilijk hun gezag kunnen doen gelden, durven ouders en leraren ook niet goed het advies van deskundigen af te wijzen. De explosie van nieuwe hypes in kinderopvoeding en pedagogie is symptomatisch voor de vergeefse poging van de volwassen samenleving om geen alternatief voor de werking van het pre-politieke gezag te hoeven zoeken. Dit is een teken dat het gezagsprobleem begint in het gezin. De wankele status van het deskundigenadvies onderstreept het onzekere karakter van deze vorm van gezag.

Een belangrijke kwestie is dezer dagen of het moreel gezag wezenlijke invloed kan uitoefenen op mensen die het ideaal huldigen om zich te gedragen conform hun persoonlijke keuze en voorkeuren van levensstijl. Een van de uitdagingen van de westerse samenleving is om het streven naar menselijke autonomie met de uitoefening van gezag te verzoenen. Vaak wordt de persoonlijke vrijheid gezien als iets wat lijnrecht tegenover het gezag staat. Maar de ervaring wijst uit dat bij zwakke vormen van gezag ook de persoonlijke vrijheid in het gedrang komt. Daardoor gaat de vermindering van gezaghebbend gedrag in het openbare leven veelal gepaard met stuurloosheid van de privésfeer.

Geen enkele maatschappij kan natuurlijk voortbestaan zonder de werking van gezaghebbende instellingen ter handhaving van de orde en sociale coördinatie waarbinnen individuen hun doelen kunnen nastreven. Maar bij gebrek aan een positief gezagsverhaal proberen we het gezagsvraagstuk te omzeilen door het te compenseren met behulp van regelgeving, nieuwe procedures en microbeheer van het persoonlijke leven. Dit leidt tot pogingen om het dagelijks leven te formaliseren door middel van een kunstmatige productie van regels en conventies. De conventionalisering van het maatschappelijk leven probeert het persoonlijke gedrag te sturen met een beroep op het gezag van de deskundige en de vakman. Maar als instellingen steunen op formele processen als gedragscodes en transparantie, kunnen ze zelden gezaghebbend optreden, omdat deze regels niet op een expliciet moreel en filosofisch zingevingssysteem berusten. Vandaar dat regelgeving onverbiddelijk tot meer regelgeving leidt. Hoe minder de westerse cultuur haar gezag kan doen gelden, hoe afhankelijker ze wordt van de formalisering en professionalisering van het dagelijks leven. De uitholling van gezag en autonomie is dus een wisselwerking die zichzelf versterkt.

Uiteindelijk is onze verhouding tot gezag een willekeurige. Wie een bepaalde vorm van gezag als onwettig verwerpt, erkent meestal wel andere vormen als aanvaardbaar. Veel critici van het lerarengezag over de klas hebben bijvoorbeeld wel behoefte aan mensen die als ‘mentor’, ‘gids’ of ‘rolmodel’ voor kinderen fungeren. In een wereld waarin de geestelijkheid soms wordt gehekeld om haar autoritaire en onrechtmatige gedrag, wordt wel vaak moreel gezag toebedeeld aan de beroemdheid of het slachtoffer. Sommigen verwerpen alle vormen van publiek gezag en erkennen alleen nog het gezag van het ik. Maar ook het ik is afhankelijk van de aanwijzingen en adviezen omtrent het gezag van de therapeut en de deskundige. Het gezag kan dus wel ondermijnd, maar niet helemaal afgeschaft worden. Maar als het gezag afkalft, dreigt het openbare leven te worden ondermijnd en maakt het plaats voor morele stuurloosheid.

Correcties & aanvullingen

Het artikel ‘Met afwijzen van gezag komt vrijheid in het gedrang’ van Frank Furedi (Opinie & Debat, 14 november) was gebaseerd op de Thomas More Lezing die hij op 11 november jl. uitsprak in De Rode Hoed te Amsterdam. Furedi was in Nederland op uitnodiging van het Soeterbeeck Programma van de Radboud Universiteit Nijmegen, dat jaarlijks de Thomas More Lezing organiseert.