Lijkenophaler in Rio heeft het druk

De circa 20.000 doden die in deelstaat Rio de Janeiro elk jaar vallen bij ongelukken en geweld, worden door een speciale brandweerdienst opgepikt. ‘Ik weet er inmiddels mee om te gaan.’

Ruim een etmaal geleden was Israel Candido (24) nog aan het werk als frisdrankverkoper. Nu ligt zijn dode lichaam in het gras, langs de weg, in de onbarmhartige zon. Het is 40 graden. Talrijke vliegen kruipen over de bloedkorsten rond zijn ogen. De kogel die een einde maakte aan zijn leven, drong zijn hoofd binnen via de linkerwang.

Eduardo Reyes, buurman van het slachtoffer, en drie andere wijkgenoten staan verloren te kijken naar het lichaam. Naast het gras staat de gele Mercedes Sprint van de lijkenophaaldienst van de brandweer in de deelstaat Rio de Janeiro. Chauffeur Klaus Salazar werpt een snelle blik op het lijk.

De 25-jarige brandweerman is nog een groentje. Pas een maand geleden rondde hij zijn opleiding tot brandweerman af. Sindsdien werkt hij voor de lijkenophaaldienst. Een drukke baan in een deelstaat (16 miljoen inwoners) waar jaarlijks tussen de 18.000 en 20.000 omgekomen mensen – bijvoorbeeld door moord of een ongeluk – zo van de straat worden meegenomen. De moord op Israel Candido heeft plaatsgehad in Duque de Caxias, een verpauperde voorstad van Rio de Janeiro.

Met zijn collega opent Salazar de achterdeuren van de wagen. Een zwarte lijkenzak komt te voorschijn, van plastic en met rits en met een lengte van 2 meter en ruim 1 meter breed.

Deze dienst haalt geen overledenen op die een natuurlijke dood stierven. Alleen mensen die omkwamen bij geweld, ongelukken of van wie de doodsoorzaak onduidelijk is, belanden in de Sprint.

,,Israel was een goede jongen”, weet buurman Reyes. Waarom hij is vermoord, zegt een van de aanwezige politiemannen, blijft voorlopig de vraag. Zijn handen en voeten waren vastgebonden met kabels. De dader heeft het lichaam versleept, waardoor het vel rond zijn polsen heeft losgelaten. Het slachtoffer heeft alleen nog een korte broek aan. Omdat hij lang in de zon heeft gelegen, zien bepaalde plekken van Candido’s huid er zwartgeblakerd uit.

Het is geen prettige aanblik, maar Salazar heeft erger zien. De eerste keer dat hij een dode ging ophalen was hij nog nerveus. De dood blijft onheilspellend. „Mijn eerste was een lichaam in vergaande staat van ontbinding, dat een week in een achterafstraatje had gelegen”, zegt hij. „Inmiddels weet ik er mee om te gaan.”

Ondanks hun stoere praat, doen deze brandweermannen mentaal zwaar werk dat hen niet onberoerd laat, zo zegt luitenant-kolonel Claudio Castro, baas van de dienst, die in de deelstaat onder de militaire politie valt. „Er is wel psychologische bijstand, maar die is incidenteel. Dat gaat veranderen en zal structureel worden”, zegt Castro.

Het is geen overbodige luxe. De 39-jarige Anderson de Oliveira zit al negen jaar „op de lijkenwagen”. Niemand raakt volgens hem echt gewend aan dode mensen. Een lichaam in zeven stukken gehakt, een lijk doorboord door kogels, een verbrand slachtoffer van een criminele afrekening; De Oliveira heeft het allemaal gezien.

In een stad als Rio de Janeiro kan het bovendien gebeuren dat tijdens straatgevechten tussen politie en drugsbendes per ongeluk burgers omkomen. De zogenoemde bala perdida is hier gevreesd en berucht. Twee weken geleden nog verloor een jonge vrouw het leven door zo’n verdwaalde kogel, vlak bij het huis van een familie die ze had bezocht. De baby in haar armen raakte zwaargewond. De Oliveira zegt: „Dat gebeurt hier. Vooral dode kinderen raken je enorm. Maar je probeert die negatieve gevoelens niet mee naar huis te nemen.”

Het zijn mooie voornemens, die niet altijd haalbaar blijken, vertelt luitenant-kolonel Castro. Er is wel eens een collega geweest die nadat hij een dood meisje had opgehaald, thuiskwam en zijn eigen dochter omhelsde en haar bijna niet meer wilde loslaten. Een andere brandweerman had last van huilbuien na het dichtritsen van een lijkenzak met een jonge vrouw. Hun angsten zijn daarbij reëel. Veel brandweermannen wonen zelf in buurten waar vaak geweld voorkomt.

Het brandpunt van de lijkenophaaldienst bevindt zich in de wijk Penha in de stad Rio de Janeiro. Hier komen dagelijks alle meldingen binnen. Deze worden doorgespeeld naar de twintig onderafdelingen in de deelstaat. De piekuren liggen tussen 12.00 en 15.00 uur en tussen 18.00 en 21.00 uur, uitschieters waarvoor geen duidelijke verklaring bestaat.

In de zomer kan het aantal doden stijgen tot 60 à 65 per dag, omdat het leven zich dan nog meer op straat afspeelt. In de winter ligt het gemiddelde rond de 30 en 35. „Vorige maand waren er heftige confrontaties tussen politie en drugsbendes. Toen hebben we in een weekeinde uit één buurt zeventien lichamen meegenomen”, vertelt Castro.

In het meldkamertje voert een van Castro’s collega’s de datum 1 januari 2009 in op de computer. Die berekent vervolgens dat er dit jaar meer dan 12.200 mannelijke doden vielen, naast ruim 2.700 vrouwelijke. Castro voorspelt: „Dat getal loopt de komende maanden nog op, zeker nu het steeds warmer begint te worden.”

Wat het werk ook zwaar maakt, zijn de emotionele reacties van familie en vrienden van slachtoffers. Maar Klaus Salazar ontsnapt vandaag aan die confrontatie. Het levensloze lichaam van Israel Candido ligt al in één van de vier bakken van de lijkenwagen als zijn zus Raquel huilend komt aangehold. De zwarte zak waarin het slachtoffer ligt, blijft dicht.

Raquel zal naar het Medisch Juridisch Instituut, waar de autopsie plaatsheeft, moeten om haar broer op te halen en te identificeren. Even later zegt zij met een betraand gezicht: „Mijn broertje kon altijd goed met iedereen opschieten. Waarom zou iemand hem willen vermoorden?” De gele Mercedes Sprint van Salazar is dan al uit het zicht.