In het moeras van het middenveld

Een legioen spookbedrijven waart door de Nederlandse economie. Het gaat om de zogeheten maatschappelijke ondernemingen: schoolverenigingen en stichtingen die ziekenhuizen en huurwoningen exploiteren. Samen hebben zij honderdduizenden werknemers in dienst om voor de samenleving onmisbare diensten te produceren. Deze instellingen zijn in de achter ons liggende jaren op grotere afstand van de overheid gezet.

Ze gedragen zich steeds meer alsof zij ondernemingen zijn. Hun bestuurders zoeken echter dekking onder de paraplu van het collectief zodra zaken faliekant mislopen. Wél stemmen zij hun salariseisen gretig af op wat in de echte marktsector gebruikelijk is. Die inhaligheid aan de top en twijfels over de doelmatigheid van de bedrijfsvoering roepen een tegenreactie op.

De overheid probeert de maatschappelijke ondernemingen in het gareel te krijgen door aan financiële touwtjes te trekken, via een overmaat aan regelgeving en met behulp van een waaier van toezichthoudende instanties, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit en het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting.

Het gelukt beleidsmakers in Den Haag echter niet reilen en zeilen van deze quasi-ondernemingen in de gewenste banen te leiden. Dit komt doordat hun bestuurders over het gevoerde beleid aan niemand rechtstreeks verantwoording verschuldigd zijn. Woningcorporaties, bij wijze van voorbeeld, hebben geen aandeelhouders, leden of kiezers aan wie zij rekening en verantwoording moeten afleggen. Het interne toezicht door de raad van commissarissen laat daarnaast te wensen over. De ruim vierhonderd woningcorporaties die in ons land actief zijn, beheren 2,4 miljoen huurwoningen, bijna eenderde van de nationale woningvoorraad. Hun woningbezit staat voor in totaal 100 miljard euro op de balans. De werkelijke waarde is aanzienlijk hoger dan deze boekwaarde. Vijftien jaar geleden zijn de corporaties verzelfstandigd.

Bestuurders raakten bedwelmd door de geuren die opstegen uit de vleespotten van de marktsector. Zij stortten zich op de ontwikkeling van koopwoningen, in concurrentie met commerciële partijen, en profiteerden daarbij van een oneerlijk voordeel. Gezien hun van oorsprong sociale doelstelling betaalden corporaties tot enkele jaren geleden geen winstbelasting.

Onervaren en roekeloze bestuurders vertilden zich vervolgens aan volstrekt onverantwoorde investeringen. Ook het salarisgebouw is opgetuigd. Met instemming van de interne toezichthouder verdient een kwart van de bestuurders nu meer dan de salarisnorm die de sector zichzelf heeft opgelegd, een limiet die veelal aanzienlijk hoger uitkomt dan de fameuze Balkenendenorm (181.000 euro bruto per jaar, exclusief onkostenvergoeding en pensioenvoorziening). Falende topmannen gaan met een gouden handdruk de laan uit.

Tot drie jaar geleden boekten de corporaties jaarlijks een overschot van 3 tot 5 miljard euro. Vooral doordat men koopwoningen ging bouwen, want investeren in nieuwe huurwoningen is financieel onaantrekkelijk: de onrendabele top kan oplopen tot 80.000 euro per woning. Nadien zijn de overschotten door verschillende oorzaken weggesmolten.

De kosten van de corporaties nemen jaarlijks met meer dan 10 procent toe, terwijl de huren volgens het regeerakkoord slechts mogen stijgen in lijn met de inflatie, dus met 1 à 2 procent per jaar. Ook steken de sociale verhuurders steeds meer geld in oneigenlijke taken, zoals buurtconciërges, speeltuinen en evenementen. Die zijn bedoeld om de sociale samenhang in de wijken te versterken. Dat is nogal ironisch. Eerst hebben de corporaties veel sociaal kapitaal vernietigd door betaalbare naoorlogse woningen te slopen en zittende bewoners te verstrooien. Met symboolbeleid probeert men vervolgens de in gerenoveerde wijken aangerichte sociale schade te camoufleren.

In de periode 2004-2008 is de socialewoningvoorraad door toedoen van de corporaties met vijfduizend stuks verminderd. Tegelijkertijd groeit de echte doelgroep: gezinnen met een belastbaar inkomen van minder dan 28.000 euro. Zij moeten in grote delen van het land steeds langer op een betaalbaar huis wachten, omdat eenderde van de corporatiewoningen wordt bezet door ‘scheefwoners’. Dit zijn mensen die méér verdienen dan de inkomensgrens van de huurtoeslag (28.000 euro).

Door het roer radicaal om te gooien, kunnen corporaties hun exploitatieresultaten verbeteren en de doelgroep beter bedienen. Om te beginnen door een eind te maken aan de afbraak van betaalbare woningen. De laatste vijf jaar vielen 75.000 voornamelijk naoorlogse woningen door de sloopkogel. Huizen van weliswaar mindere kwaliteit, maar veel huurders geven de voorkeur aan betaalbaar wonen boven peperdure nieuwbouw.

Voorts kunnen corporaties binnen de door de overheid gestelde grenzen de huur van veel van hun goede huizen versneld verhogen. Dit maakt het voor huurders eerder aantrekkelijk om een corporatiewoning te kopen. Door deze transactie verzilvert de corporatie de meerwaarde van haar bezit. Zo komt meer geld beschikbaar voor verlieslatende nieuwbouw van huurwoningen.

Gemeenten en de rijksoverheid kunnen een volkshuisvestingsbeleid langs deze lijnen niet afdwingen. Corporaties, en ook scholen en ziekenhuizen, opereren op het door het CDA gekoesterde ‘middenveld’ tussen markt en overheid.

Hun bestuurders staan niet bloot aan de tucht van de markt en hebben veelal geen dictaten van de overheid te duchten. In juli stuurde het kabinet een wetsontwerp naar de Tweede Kamer om de positie van afnemers van de diensten van maatschappelijke ondernemingen te versterken. Die regeling zal weinig uithalen. Het is in plaats daarvan beter het moeras van het middenveld droog te leggen.